Welcome to the Elon.io English Grammar Guide. 638 topics across every area of English grammar, tagged by CEFR level so you can find the right page for your level.
A183 pagesA2191 pagesB1172 pagesB2103 pagesC170 pagesC219 pages
Start Here (A1)
New to English? These are the foundation topics every beginner needs.
- Vorm van Engelse bijvoeglijke naamwoorden — Leer waarom Engelse adjectieven niet verbuigen voor getal of gender en hoe hun plaats hun functie duidelijk maakt.
- Frequentiebijwoorden — Leer waar Engelse frequentiebijwoorden staan en waarom dezelfde plaatsingsregel ook in samengestelde werkwoordsvormen werkt.
- This, that, these en those — Kies de juiste Engelse aanwijzer op basis van getal, fysieke afstand en afstand in het gesprek.
- Bezittelijke determinanten — Gebruik my, your, his, her, its, our en their vóór een zelfstandig naamwoord en kies de vorm op basis van de bezitter.
- Some en any — Kies some en any bij onbepaalde hoeveelheden, vragen, ontkenningen, verwachtingen en vrije keuze.
- Much en many — Leer hoe telbaarheid en register bepalen of je much, many of in alledaagse bevestigende zinnen a lot of gebruikt.
- Originele dialoog: een eerste ontmoeting — Lees en analyseer een natuurlijke eerste ontmoeting met begroetingen, be, voornaamwoorden, lidwoorden en eenvoudige vragen.
- Hoofdtelwoorden — Vorm en schrijf Engelse hoofdtelwoorden van zero tot millions met correcte woordvolgorde, koppeltekens en meervouden.
- Kloktijden zeggen — Zeg Engelse kloktijden met digitale lezingen, past en to, en gebruik noon, midnight, a.m. en p.m. zonder dubbelzinnigheid.
- Dagen, maanden en seizoenen — Gebruik Engelse namen van dagen, maanden en seizoenen met de juiste hoofdletters en tijdsvoorzetsels.
- Present simple of present continuous — Kies de present simple voor gewoonten en toestanden en de present continuous voor tijdelijke processen, afspraken en ontwikkelingen.
- Leerpad A1 — Volg een concrete twaalfstappenroute van uitspraak en basiswoordvolgorde naar vragen, verleden tijd en korte dagelijkse gesprekken.
Bijvoeglijke naamwoorden
Complementen en nuance
- Adjectief plus voorzetselA2 — Leer vaste Engelse adjectief-voorzetselcombinaties als afraid of, interested in, good at en responsible for in natuurlijke context.
- Adjectief plus to-infinitiefB1 — Leer hoe Engelse adjectieven als ready, likely en easy een to-infinitief krijgen en waarom hun onderwerp niet steeds dezelfde rol heeft.
- Adjectief plus that-bijzinB1 — Leer hoe Engelse adjectieven een that-bijzin aanvullen en wanneer indicatief, mandative subjunctive of should passend is.
- Gradable en non-gradable adjectievenB2 — Leer hoe schaalbaarheid bepaalt welke comparatieven en graadwoorden bij Engelse adjectieven passen, inclusief retorische uitzonderingen.
- Versterkers bij adjectievenB1 — Kies bewust tussen very, really, quite, rather, pretty en absolutely op basis van sterkte, register, adjectieftype en Engelse variëteit.
- Nageschakelde adjectievenC1 — Herken waarom Engelse adjectieven na something, na een zelfstandig naamwoord of in vaste titels staan en hoe hun betekenis dan verandert.
- Betekenisverschuiving door adjectiefpositieC2 — Ontdek hoe adjectieven als certain, present, involved, responsible en proper vóór en na een zelfstandig naamwoord een andere betekenis krijgen.
Vergelijking
- Vergrotende trapA2 — Vorm Engelse comparatieven met -er of more en begrijp hoe lettergrepen, klemtoon en vaste woordkeuze samen beslissen.
- Overtreffende trapA2 — Vorm superlatieven met -est of most en kies het lidwoord aan de hand van de afgebakende vergelijkingsgroep.
- Onregelmatige vergelijkingA2 — Leer better, worse, more, less en de betekenis- en regioverschillen tussen farther en further als complete woordfamilies.
- Vergelijken met as en asA2 — Druk gelijkheid, ongelijkheid en verhoudingen uit met as ... as, not as ... as en maatwoorden als twice en half.
- Complementen na thanC1 — Analyseer naamwoordgroepen, voornaamwoorden, volledige en verkorte deelzinnen na than en kies bewust tussen me en I am.
- Gekoppelde comparatievenB1 — Koppel proportionele veranderingen met the more ..., the more ... en beschrijf geleidelijke ontwikkeling met colder and colder.
Vorm en plaats
- Vorm van Engelse bijvoeglijke naamwoordenA1 — Leer waarom Engelse adjectieven niet verbuigen voor getal of gender en hoe hun plaats hun functie duidelijk maakt.
- Volgorde van meerdere adjectievenB1 — Orden Engelse adjectieven volgens betekenis, maar herken hoe vaste eenheden, informatiegroepering en contrast de voorkeursvolgorde beïnvloeden.
- Alleen predicatieve adjectievenB2 — Gebruik afraid, asleep, alive, alone en aware vooral na een koppelwerkwoord en kies een passend alternatief vóór een zelfstandig naamwoord.
- Alleen attributieve adjectievenB2 — Leer waarom mere, utter, main en former vóór een zelfstandig naamwoord staan en hoe je hun betekenis predicatief parafraseert.
- Adjectieven op -ed en -ingB1 — Leer met de rollen ervaarder en oorzaak kiezen tussen bored en boring, ook bij mensen en bij vaste uitzonderingen.
- NationaliteitsadjectievenA2 — Gebruik hoofdletters en kies bewust tussen een onveranderlijk nationaliteitsadjectief, een taalnaam en een persoonsnaam.
- Samengestelde adjectievenB1 — Verbind woorden vóór een zelfstandig naamwoord tot één duidelijke eigenschap en kies bewust waar een koppelteken nodig blijft.
Bijwoorden
Basis
- Bijwoorden op -lyA2 — Leer hoe Engelse bijwoorden op -ly worden gevormd, gespeld en onderscheiden van misleidende adjectieven als friendly.
- Adjectief of bijwoordA2 — Leer wanneer Engels een adjectief gebruikt bij naamwoorden en koppelwerkwoorden, en wanneer een bijwoord een handeling of andere bepaling beschrijft.
- Onverbogen bijwoorden zoals fast en hardB1 — Leer waarom fast, hard, late, early en straight zonder -ly bijwoordelijk zijn en hoe hardly en lately een andere betekenis hebben.
- Plaats van wijze-bijwoordenA2 — Leer waar Engelse bijwoorden van wijze staan en waarom ze een werkwoord en zijn object meestal niet van elkaar scheiden.
- FrequentiebijwoordenA1 — Leer waar Engelse frequentiebijwoorden staan en waarom dezelfde plaatsingsregel ook in samengestelde werkwoordsvormen werkt.
- Tijd en plaats aan het zinseindeB1 — Orden Engelse plaats- en tijdsbepalingen natuurlijk en gebruik vooropplaatsing alleen wanneer tijd of plaats echt het kader vormt.
- GraadbijwoordenA2 — Begrijp hoe very, too, enough, almost en nearly verschillende relaties tot een schaal of grens uitdrukken.
Zin en discours
- ZinsbijwoordenB2 — Zie hoe fortunately, probably, frankly en technically een hele bewering of de houding van de spreker modificeren.
- Focusbijwoorden only, even en alsoC1 — Stuur het bereik van only, even, also en just met plaatsing en intonatie, en herstel ambiguïteit bewust.
- Verbindende zinsbijwoordenB2 — Leer hoe however, therefore, moreover en nevertheless zelfstandige zinnen logisch verbinden zonder zich als voegwoorden te gedragen.
- PerspectiefbijwoordenC2 — Ontdek hoe bijwoorden als financially, politically en linguistically het beoordelingsdomein van een hele uitspraak afbakenen.
- Vergelijking van bijwoordenB1 — Leer prestaties en handelingen vergelijken met harder, faster, more carefully, better en best.
- Here en there in presentatieve zinnenB1 — Leer het verschil tussen gewoon plaatsaanduidend here/there en presentatieve zinnen als Here comes the bus en There goes our chance.
- Ever, yet, still en alreadyB1 — Leer hoe ever, yet, still en already verwachtingen en voortgang op een tijdlijn uitdrukken en waar ze in de Engelse zin staan.
- No longer, not anymore en any longerB1 — Leer hoe je Nederlands niet meer natuurlijk weergeeft met no longer, not anymore en not any longer.
Complexe grammatica
Adverbiale verbanden
- TijdbijzinnenA2 — Verbind gebeurtenissen met when, while, before, after, until en as soon as, ook wanneer de betekenis toekomstig is.
- Reden met because, since en asA2 — Kies tussen because, since en as op grond van informatiewaarde, positie en register, en houd because of apart.
- Doel met to, so that en in order toA2 — Druk een doel uit met een compacte to-infinitief of met so that wanneer het doel een eigen onderwerp nodig heeft.
- Gevolg met so, such en so thatB1 — Kies so bij een eigenschap of hoeveelheid, such bij een naamwoordgroep en so als verbinding tussen oorzaak en gevolg.
- Toegeving met although en thoughB1 — Laat met although, though en even though zien dat een feit de verwachting tegenspreekt zonder de hoofdboodschap ongedaan te maken.
- Voorwaarde met if en unlessA2 — Kies tussen het algemene if en het uitzonderingsgerichte unless zonder ontkenning of betekenis per ongeluk om te keren.
- VergelijkingsbijzinnenB2 — Begrijp volledige en verkorte vergelijkingen met than, as en as if, inclusief naamval, ellipsis en irreële afstand.
- Wijze met as, like en the wayB2 — Beschrijf hoe iets gebeurt met as, conversationeel like en the way, zonder het foutieve patroon the way how.
- Plaatsbijzinnen met where en whereverB1 — Gebruik where voor specifieke en abstracte locaties en wherever voor vrije keuze of plaats-onafhankelijke concessie.
Bijzinnen
- Overzicht van Engelse bijzinnenB1 — Herken finiete en niet-finiete Engelse bijzinnen en zie hoe ze als naamwoordgroep, bepaling of beschrijving in een grotere zin functioneren.
- That-bijzinnenB1 — Gebruik that-bijzinnen als object, onderwerp en complement, met natuurlijke Engelse woordvolgorde en correcte weglating van that.
- Whether-bijzinnenB2 — Gebruik whether voor indirecte ja-neevragen, expliciete alternatieven en infinitiefconstructies, en herken waar if niet mogelijk is.
- Nominale wh-bijzinnenB2 — Gebruik ingebedde bijzinnen met what, where, when, why en how als onderwerp, object of naamwoordelijk deel.
- Restrictieve relatieve bijzinnenA2 — Identificeer personen en zaken met noodzakelijke relatieve informatie zonder komma's.
- Niet-restrictieve relatieve bijzinnenB1 — Voeg extra informatie over een al geïdentificeerde referent toe met komma's en zonder that of weglating.
- Voorzetsels in relatieve bijzinnenB2 — Kies tussen natuurlijk voorzetselstranding en formeel voorzetsel plus whom of which.
- Verkorte relatieve bijzinnenB2 — Verkort herstelbare actieve en passieve relatieve bijzinnen met deelwoorden zonder finiete persoonsvorm.
- Vrije relatieve bijzinnenC1 — Leer hoe what, whoever, whatever, wherever en whichever tegelijk een verzwegen antecedent en een relatief element uitdrukken.
Geavanceerde niet-finiete bijzinnen
- Subjectcontrole bij infinitievenC1 — Bepaal via het hoofdwerkwoord wie het verzwegen onderwerp van een Engelse to-infinitief is.
- For plus onderwerp plus to-infinitiefB2 — Gebruik for om een expliciet onderwerp aan een to-infinitief te geven en kies daarbij de juiste voornaamwoordsvorm.
- Absolute constructiesC1 — Gebruik een eigen onderwerp met een niet-finiet predicaat om tijd, oorzaak, voorwaarde of begeleidende omstandigheden compact uit te drukken.
- Supplementaire bijzinnenC1 — Voeg met losse adjectief- en deelwoordgroepen een tweede predicatie toe die normaal hetzelfde onderwerp als de hoofdzin heeft.
- Werkwoordloze bijzinnenC1 — Verkort voorspelbare be-bijzinnen na voegwoorden zonder onderwerp of tijdsverband onduidelijk te maken.
- Conditionele inversie zonder ifC1 — Vorm formele voorwaarden zonder if met had, were en should en herken waarom deze inversie geen gewone vraagvolgorde is.
Rapportage en irrealis
- Indirecte rede: mededelingenB1 — Rapporteer Engelse mededelingen met say, tell en een that-bijzin, en pas persoon, tijd en perspectief bewust aan.
- Indirecte rede: vragenB1 — Rapporteer wh-vragen en ja-neevragen met mededelende woordvolgorde, zonder inversie of do-support.
- Indirecte rede: bevelen en verzoekenB1 — Rapporteer bevelen en verzoeken met tell of ask, een persoonsobject en een positieve of ontkennende to-infinitief.
- Backshift en uitzonderingenB2 — Gebruik backshift om gerapporteerde inhoud op een vroeger perspectief te oriënteren, en behoud de tijd waar de huidige geldigheid centraal staat.
- Vrije indirecte redeC2 — Herken hoe vrije indirecte rede de verleden tijd en derde persoon van de verteller vermengt met de deiktiek, vragen en evaluaties van een personage.
- Wish over heden en toekomstB2 — Gebruik wish met een verleden vorm, could of would om onwerkelijke situaties en gewenste veranderingen in heden en toekomst uit te drukken.
- Wish over het verledenB2 — Druk spijt over een onveranderbaar verleden uit met wish plus past perfect of could have plus voltooid deelwoord.
- As if en as thoughB2 — Kies na as if en as though een gewone tijd voor een realistische indruk en een afstandsvorm voor een onwaarschijnlijke of tegengestelde vergelijking.
- Would ratherB2 — Gebruik would rather met een infinitief voor je eigen voorkeur en met een afstandsvorm wanneer een ander het gewenste handelen uitvoert.
- If onlyB2 — Gebruik if only met past, past perfect, could of would voor sterke wensen, frustratie en spijt over verschillende tijdlagen.
Determinanten en hoeveelheden
Aanwijzen en bezit
- This, that, these en thoseA1 — Kies de juiste Engelse aanwijzer op basis van getal, fysieke afstand en afstand in het gesprek.
- Bezittelijke determinantenA1 — Gebruik my, your, his, her, its, our en their vóór een zelfstandig naamwoord en kies de vorm op basis van de bezitter.
- Whose als determinerB1 — Gebruik whose vóór een zelfstandig naamwoord om bezit te bevragen of een bezitsrelatie in een relatieve bijzin te leggen.
- Such en what in naamwoordgroepenB2 — Leer de woordvolgorde van such a, so ... a en what a in evaluatieve naamwoordgroepen en uitroepen.
Hoeveelheid
- Some en anyA1 — Kies some en any bij onbepaalde hoeveelheden, vragen, ontkenningen, verwachtingen en vrije keuze.
- Much en manyA1 — Leer hoe telbaarheid en register bepalen of je much, many of in alledaagse bevestigende zinnen a lot of gebruikt.
- Few, a few, little en a littleB1 — Leer hoe telbaarheid en het kleine woord a het verschil maken tussen een tekort en een kleine maar bruikbare hoeveelheid.
- A lot of, lots of en plenty ofA2 — Leer hoe a lot of, lots of en plenty of met telbare en ontelbare woorden werken en waarom plenty of ‘ruim voldoende’ betekent.
- All en everyB1 — Leer hoe all een groep of hoeveelheid als geheel presenteert en every ieder lid afzonderlijk meeneemt.
- Each en everyB1 — Leer wanneer each afzonderlijke leden benadrukt en wanneer every volledige dekking als een terugkerend patroon presenteert.
- Both, either en neitherB1 — Leer hoe both twee zaken insluit, either tussen twee mogelijkheden verdeelt en neither ze allebei uitsluit.
- No en noneA2 — Leer waarom no vóór een zelfstandig naamwoord staat, terwijl none zelfstandig staat of met none of een bepaalde groep uitsluit.
- Enough en woordvolgordeA2 — Leer waarom enough vóór zelfstandige naamwoorden maar na bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden staat, en hoe genoeg-zinnen een gevolg uitdrukken.
- Too much, too many en too fewB1 — Leer hoe too much, too many, too little en too few een ongewenste overschrijding of een tekort uitdrukken.
- Most en most ofB2 — Leer wanneer most een algemene meerderheid noemt, wanneer most of een bepaalde set nodig heeft en waarom almost anders werkt.
- Half, twice en doubleB2 — Leer hoe half, twice en double elk hun eigen Engelse patroon voor verhoudingen, vermenigvuldiging en verdubbeling vormen.
- Getallen als determinantenA2 — Leer hoe Engelse hoofdtelwoorden zelfstandige naamwoorden bepalen en waarom exacte en onbepaalde honderdtallen anders worden gebouwd.
- Distributieven per, apiece en respectivelyB2 — Leer hoe per een verhouding vormt, apiece een hoeveelheid verdeelt en respectively twee lijsten in dezelfde volgorde koppelt.
- Bereik van kwantorenC2 — Leer hoe all, every, not en modale hulpwerkwoorden verschillende logische lezingen toelaten en hoe je die expliciet maakt.
Geannoteerde teksten
Dialogen
- Originele dialoog: een eerste ontmoetingA1 — Lees en analyseer een natuurlijke eerste ontmoeting met begroetingen, be, voornaamwoorden, lidwoorden en eenvoudige vragen.
- Originele dialoog: bestellen in een caféA2 — Analyseer een natuurlijke cafébestelling met telbare en ontelbare woorden, some, any, would like en beleefde verzoeken.
- Originele dialoog: de weg vragenA2 — Volg een natuurlijke routebeschrijving met gebiedende wijzen, plaatsvoorzetsels, there is, referentiepunten en controlevragen.
- Originele dialoog: weekendplannenA2 — Ontleed een natuurlijk gesprek waarin vrienden wisselen tussen een intentie, een vaste afspraak, een dienstregeling en een spontane beslissing.
- Originele dialoog: een werkoverlegB1 — Analyseer hoe collega's in een vergadering een voorstel, bezwaar, compromis en actiepunt duidelijk én relationeel zorgvuldig formuleren.
- Originele dialoog: een klacht oplossenB1 — Volg een originele klantenservice-interactie waarin tijdskeuze, passief, causative have en excuses de klacht van melding tot opvolging structureren.
Publiek domein en traditie
- Spreekwoord: A stitch in time saves nineA2 — Ontleed hoe dit traditionele spreekwoord met lidwoordgebruik, present simple en ellips een volledig preventief advies comprimeert.
- Spreekwoord: The grass is always greenerB1 — Ontleed hoe een comparatief, het frequentiebijwoord always en een verzwegen vergelijkingsnorm dit traditionele spreekwoord zijn waarschuwende kracht geven.
- Shakespeare: Sonnet 18C1 — Lees drie regels uit Sonnet 18 als een samenspel van archaïsche voornaamwoorden, modale betekenis, vergelijking en poëtische inversie.
- Austen: Pride and PrejudiceC1 — Ontleed hoe de openingszin van Pride and Prejudice grammaticale zekerheid inzet voor ironie, perspectief en sociale kritiek.
- Dickens: A Tale of Two CitiesC1 — Zie hoe Dickens in zijn beroemde opening met parallelle hoofdzinnen, antithese en asyndetische coördinatie een historische periode als uitersten ervaarbaar maakt.
- Carroll: Alice's Adventures in WonderlandB2 — Volg hoe Carroll met een onderbroken vraag, een rapporterende bijzin en dubbelzinnige aanhechting van verteller naar Alice’ eigen gedachte schakelt.
- Brontë: Jane EyreC1 — Analyseer hoe Jane Eyres openingsstem met existentiële ontkenning, eerste persoon, focus en voltooid-verleden tijd verschillende lagen van beperking en keuze bouwt.
- Doyle: The Adventures of Sherlock HolmesB2 — Ontleed hoe bewijs, epistemisch must, rapporterende werkwoorden en verhalende tijden samen een deductie van Sherlock Holmes opbouwen.
- Lincoln: Gettysburg AddressC1 — Analyseer hoe parallelisme, betrekkelijke bijzinnen en grammaticale verplichting de collectieve beweging van herdenken naar handelen dragen.
- Originele tekst: een kort nieuwsberichtB2 — Leer aan een volledig origineel nieuwsbericht hoe kopgrammatica, passief, bronvermelding en de overgang van present perfect naar past simple samenwerken.
Getallen en tijd
Getallen
- HoofdtelwoordenA1 — Vorm en schrijf Engelse hoofdtelwoorden van zero tot millions met correcte woordvolgorde, koppeltekens en meervouden.
- RangtelwoordenA2 — Vorm en gebruik Engelse rangtelwoorden correct in volgordes, data, verdiepingen en samengestelde getallen.
- Decimalen en breukenA2 — Lees en schrijf Engelse decimalen, gewone breuken en gemengde getallen zonder Nederlandse notatie over te nemen.
- Percentages en congruentieB1 — Gebruik percent correct en laat het werkwoord aansluiten bij de hoeveelheid waar het percentage naar verwijst.
Tijd en datum
- Kloktijden zeggenA1 — Zeg Engelse kloktijden met digitale lezingen, past en to, en gebruik noon, midnight, a.m. en p.m. zonder dubbelzinnigheid.
- Data schrijven en zeggenA2 — Schrijf en spreek Engelse data volgens Amerikaanse en Britse conventies en voorkom dubbelzinnige cijferdatums.
- Dagen, maanden en seizoenenA1 — Gebruik Engelse namen van dagen, maanden en seizoenen met de juiste hoofdletters en tijdsvoorzetsels.
- Duur en frequentieA2 — Druk uit hoelang en hoe vaak iets gebeurt met for, every, once, twice, times, a en per.
Kiezen
Beslisgidsen
- Present simple of present continuousA1 — Kies de present simple voor gewoonten en toestanden en de present continuous voor tijdelijke processen, afspraken en ontwikkelingen.
- Past simple of present perfectA2 — Kies de past simple voor een afgesloten verleden tijd en de present perfect voor een gebeurtenis met een open verbinding naar nu.
- Kiezen tussen de present perfect simple en continuousB1 — Kies de present perfect simple voor resultaat en aantal, en de continuous voor proces en duur, zonder voltooiing als absolute regel te gebruiken.
- Will of going toA2 — Kies will voor een spontane beslissing of persoonlijke voorspelling en be going to voor een bestaand plan of voorspelling op basis van huidig bewijs.
- Make of doA2 — Gebruik make voor creëren en een uitkomst en do voor taken en activiteiten, maar leer frequente combinaties als vaste chunks.
- Say of tellB1 — Kies say wanneer de boodschap centraal staat en tell wanneer je een ontvanger, instructie of vaste combinatie noemt.
- Speak of talkA2 — Gebruik speak vooral voor taalvaardigheid, formele of eenrichtingsgerichte communicatie en talk vooral voor een gesprek, met veel overlap in gewone situaties.
- Look, see of watchA2 — Kies look voor een gerichte blik, see voor het resultaat van waarnemen en watch voor aandacht die een tijdlang aanhoudt.
- Hear of listenA2 — Kies hear voor geluid dat je bereikt of nieuws dat je ontvangt, en listen voor bewust luisteren met meestal to vóór het object.
- Borrow of lendA2 — Kies borrow vanuit het perspectief van de tijdelijke ontvanger en lend vanuit het perspectief van de tijdelijke gever.
- Bring of takeA2 — Kies bring voor beweging naar het relevante gezichtspunt en take voor beweging ervandaan, met ruimte voor een gedeelde toekomstige bestemming.
- Fun of funnyA2 — Kies fun voor plezier en een plezierige ervaring, en funny voor iets grappigs, vreemds of verdachts.
- Other, another en the otherA2 — Kies another voor één extra exemplaar, other voor overige meervouden of ontelbare zaken en the other voor een bepaalde resterende referent.
- Like of asB1 — Gebruik like voor gelijkenis en as voor een echte rol of functie; bij een volledige bijzin hangt de keuze ook van het register af.
- Job of workA2 — Gebruik job als telbare functie of taak, work als ontelbare activiteit of werkgelegenheid en work als werkwoord voor werken.
- House of homeA2 — Gebruik house voor het fysieke woongebouw en home voor de persoonlijke woonplek, inclusief de richtinggevende vormen go home en come home zonder to.
Landen en culturen
Engelstalige regio's
- Engels in het Verenigd KoninkrijkA2 — Leer zorgvuldig spreken over de vier landen van het Verenigd Koninkrijk en begrijp Britse reis-, onderwijs- en adreswoorden in hun context.
- Engels in de Verenigde StatenB1 — Leer Amerikaans Engels gebruiken bij studie, reizen en klantenservice, met aandacht voor staten, datums, verdiepingen, adressen en beleefdheid.
- Engels in CanadaB1 — Communiceer precies over Canadese provincies, territoria, taalrechten, plaatsnamen en adressen zonder federale tweetaligheid met persoonlijke tweetaligheid te verwarren.
- Engels in Australië en Nieuw-ZeelandB1 — Houd Australië en Nieuw-Zeeland uit elkaar en gebruik hun bestuurlijke termen, adressen en inheemse namen precies en respectvol.
- Engels in IerlandB2 — Spreek precies over Ierland, Noord-Ierland, identiteit, talen, adressen en instellingen aan beide kanten van de grens.
- Engels in SingaporeB2 — Navigeer Singapore in helder Engels en begrijp hoe taalbeleid, dagelijks meertalig taalgebruik en persoonlijke repertoires van elkaar verschillen.
- Engels in IndiaC1 — Communiceer zorgvuldig in India door taalbeleid, deelstaatcontext, namen, titels, adressen, datums en institutionele termen expliciet te maken.
- Engelse variëteiten in AfrikaC1 — Benader African Englishes als verschillende lokale normen en meertalige repertoires, met voorbeelden uit Zuid-Afrika, Nigeria en Kenia.
Leerpaden
CEFR-route
- Leerpad A1A1 — Volg een concrete twaalfstappenroute van uitspraak en basiswoordvolgorde naar vragen, verleden tijd en korte dagelijkse gesprekken.
- Leerpad A2A2 — Werk in cumulatieve leerblokken aan telbaarheid, determinatoren, aspect, present perfect, toekomstkeuzes, modale hulpwerkwoorden en conditionals.
- Leerpad B1B1 — Bouw bekende vormen uit tot samenhangende verhalen, e-mails en gesprekken met een concrete projectroute en foutdiagnose.
- Leerpad B2B2 — Train betrouwbare keuzes in aspect, modaliteit, ingebedde zinnen, informatiestructuur, register en regionale receptie.
- Leerpad C1C1 — Ontwikkel bereik, implicatie en publieksontwerp via inversie, ellips, stance, niet-finiete constructies en genregerichte revisie.
- Leerpad C2C2 — Ontwikkel stilistische keuzevrijheid via close reading, genretransformatie, historische vormen, rechtsprecisie en normkritische variatieanalyse.
Lidwoorden
Kerngebruik
- A en an kiezenA1 — Kies a of an op basis van de eerste uitgesproken klank, niet op basis van de spelling.
- Het onbepaalde lidwoordA1 — Gebruik a en an voor één niet-geïdentificeerd telbaar exemplaar, voor beroepen en voor classificatie.
- The en gedeelde referentieA1 — Gebruik the wanneer de luisteraar de bedoelde persoon, zaak of groep uit de context kan identificeren.
- Nulartikel bij meervoud en ontelbaarA1 — Gebruik geen zichtbaar lidwoord voor algemene kale meervouden en ontelbare begrippen, maar the voor een identificeerbare subset.
- Lidwoorden bij eigennamenB1 — Leer welke Engelse eigennamen zonder lidwoord staan en welke naamtypen the vereisen.
- School, hospital, prison en churchB1 — Leer wanneer Engelse instellingswoorden zonder lidwoord staan en wanneer the naar een gebouw of specifieke instelling verwijst.
- Maaltijden, vervoer en mediaB1 — Beheers vaste Engelse artikelpatronen bij maaltijden, reiswijzen en media zonder ze woord voor woord uit het Nederlands te vertalen.
- Lidwoorden bij lichaamsdelenB2 — Kies in het Engels tussen een bezittelijk woord en the bij lichaamsdelen, afhankelijk van hoe de bezitter in de zin wordt uitgedrukt.
- Abstracte begrippen met nulartikel of theC1 — Leer hoe algemene abstracte begrippen zonder lidwoord staan en door context, nabepaling of discoursverankering specifiek worden met the.
- The plus adjectiefB2 — Gebruik the plus een Engels adjectief voor groepen als the elderly en kies correcte enkelvouds- en meervoudsvormen bij nationaliteiten.
- The bij superlatieven en rangtelwoordenA2 — Leer waarom superlatieven en rangtelwoorden meestal the krijgen, en wanneer een predicatieve of idiomatische constructie daarvan afwijkt.
- Lidwoorden in tijdsaanduidingenB1 — Kies het natuurlijke artikelpatroon bij dagen, maanden, dagdelen, decennia en historische perioden.
- Lidwoorden bij ziekten en symptomenB2 — Leer waarom ziektebenamingen meestal geen lidwoord krijgen, terwijl klachten als a cold, a headache en the flu vaste andere patronen volgen.
- Lidwoordweglating in koppen en labelsC1 — Begrijp waarom koppen, borden en labels lidwoorden weglaten, en waarom die genreconventie niet in gewone lopende tekst thuishoort.
- Beslisboom voor Engelse lidwoordenB1 — Kies systematisch tussen a/an, the en het nulartikel via telbaarheid, getal, identificeerbaarheid en generieke betekenis.
Ontkenning
Kern
- Not en auxiliarypositieA1 — Leer waar not in een Engelse zin staat en wanneer ontkenning do, does of did nodig maakt.
- Negatieve samentrekkingenA2 — Vorm en gebruik Engelse negatieve samentrekkingen als isn't, don't, won't, can't en mustn't correct.
- No tegenover not anyA2 — Kies tussen no plus een naamwoordgroep en not any als ontkenning van de hele Engelse deelzin.
- Never, nobody, nothing en nowhereA2 — Gebruik Engelse negatieve woorden zonder extra not en plaats never correct in de werkwoordgroep.
- Dubbele ontkenning en negative concordB2 — Onderscheid betekenisdragende dubbele ontkenning van dialectale negative concord en kies de juiste vorm voor je register.
- Bereik van de ontkenningB2 — Bepaal welk zinsdeel not ontkent en maak dubbelzinnige ontkenningen expliciet met plaatsing, klemtoon en herschrijving.
- Partiële ontkenningB1 — Gebruik not all, not every en not necessarily om een geheel, universele regel of noodzakelijk gevolg slechts gedeeltelijk te ontkennen.
- Neither en norB1 — Sluit twee alternatieven uit met neither ... nor en gebruik inversie wanneer nor een nieuwe negatieve deelzin inleidt.
- Litotes en voorzichtige ontkenningC1 — Herken hoe not bad, not uncommon en no small achievement via ontkenning een contextafhankelijke positieve evaluatie oproepen.
- Neg-raising met think en seemC2 — Begrijp waarom I don't think p meestal een verzachte not-p-boodschap geeft, hoewel not grammaticaal in de hoofdzin staat.
- Negatieve inversieC1 — Leer waarom vooropgeplaatste negatieve en beperkende uitdrukkingen in formeel Engels hulpwerkwoord-onderwerpinversie veroorzaken.
Partikelwerkwoorden
Systeem
- Overzicht van partikelwerkwoordenA2 — Leer hoe Engelse werkwoorden met partikels één betekeniseenheid vormen en hoe betekenis, klemtoon en zinsbouw elkaar aanvullen.
- Scheidbare partikelwerkwoordenB1 — Leer waar naamwoorden en voornaamwoorden staan bij scheidbare combinaties als turn off, pick up en write down.
- Onscheidbare partikelwerkwoordenB1 — Leer waarom het object na combinaties als look after, run into en come across blijft staan, ook als het een voornaamwoord is.
- Drieledige partikel-voorzetselwerkwoordenB2 — Leer hoe vaste combinaties als put up with en look forward to zijn opgebouwd en waarom je hun delen niet vrij kunt verplaatsen.
- Partikelwerkwoord of formeel enkel werkwoordB2 — Kies bewust tussen partikelwerkwoorden en enkelvoudige werkwoorden op basis van register, collocatie en betekenisnuance.
Veelgebruikte families
- Partikelwerkwoorden met getA2 — Begrijp hoe get samen met een partikel beweging, relaties, herstel en praktische redzaamheid uitdrukt.
- Partikelwerkwoorden met takeB1 — Leer hoe take off, take over, take up, take in en take after van betekenis én zinsbouw verschillen.
- Partikelwerkwoorden met putB1 — Gebruik put on, put off, put away, put down en put up with met de juiste betekenis en objectplaatsing.
- Partikelwerkwoorden met turnA2 — Leer hoe turn on, turn off, turn up, turn down en turn out schakelen, schaal, afwijzing en resultaat uitdrukken.
- Partikelwerkwoorden met lookB1 — Onderscheid look for, look after, look up, look into en look forward to aan de hand van betekenis en zinsbouw.
- Partikelwerkwoorden met goB1 — Leer hoe go on, go out, go off, go through en go over voortgang, activiteit, activatie en inspectie uitdrukken.
- Partikelwerkwoorden met comeB1 — Begrijp hoe come across, come up with, come out, come round en come down to ontdekking, ideeën en resultaten uitdrukken.
- Partikelwerkwoorden met makeB1 — Onderscheid de vele betekenissen en complementpatronen van make up, make out, make for, make do en make up for.
- Partikelwerkwoorden met giveA2 — Leer hoe give up, give in, give away, give back en give out verschillen in betekenis en objectplaatsing.
- Partikelwerkwoorden met bringB1 — Ontdek hoe bring up, bring about, bring back en bring forward onderwerpen, oorzaken, herinneringen en planning uitdrukken.
- Partikelwerkwoorden met breakB1 — Onderscheid break down, break up, break into en break out aan de hand van storing, scheiding en grensdoorbraak.
- Partikelwerkwoorden met runB1 — Leer hoe run out of, run into, run over en run through tekort, ontmoeting, botsing en repetitie uitdrukken.
- Partikelwerkwoorden met setB2 — Begrijp hoe set up, set off, set out en set aside organisatie, vertrek, uiteenzetting en reservering verbinden.
- Partikelwerkwoorden met carryB2 — Leer hoe carry on, carry out, carry over en carry through voortzetting, uitvoering en overdracht uitdrukken.
- Partikelwerkwoorden met workB2 — Onderscheid work out, work through, work on en work up aan de hand van hun object en context.
Pragmatiek
Gesprekshandelingen
- Verzoeken formulerenA2 — Kies tussen een gebiedende wijs, can, could en would you mind op basis van afstand, moeite en je recht om iets te vragen.
- Aanbiedingen en hulpA2 — Formuleer aanbiedingen met shall I, can I, would you like en I'll, met de juiste balans tussen initiatief en keuzevrijheid.
- Suggesties doenA2 — Kies tussen let's, shall we, how about en why don't we op basis van inclusiviteit, grammaticale vorm en sociale druk.
- Excuses aanbieden en beantwoordenA2 — Kies een Engelse excuusformule die past bij de ernst, verantwoordelijkheid en relatie, en reageer zonder het voorval groter of kleiner te maken dan nodig.
- Bedanken en reagerenA1 — Gebruik thanks, thank you for en waarderingsformules met de juiste warmte, en kies een reactie die past bij relatie en variëteit.
- Complimenten geven en ontvangenB1 — Geef specifieke complimenten over prestaties, uiterlijk en bezit, en reageer met dank zonder de spreker of jezelf af te wijzen.
- Oneens zijn zonder onnodige hardheidB1 — Combineer erkenning, een duidelijke tegenpositie en een relevante reden om inhoudelijk oneens te zijn zonder de relatie onnodig te belasten.
- Afzwakken met hedgesB2 — Gebruik perhaps, might, a little, sort of en it seems om waarschijnlijkheid, sociale gevoeligheid en academische nauwkeurigheid precies te doseren.
- Nadruk en versterkingB1 — Leer hoe do, really, absolutely en cleft-zinnen elk een ander soort nadruk leggen in natuurlijk Amerikaans-Engels.
- Luistersignalen en beurtbehoudB1 — Gebruik right, I see, uh-huh en really om actief te luisteren zonder onbedoeld de spreekbeurt over te nemen.
- Beurten nemen, houden en afstaanB2 — Organiseer Engelse gesprekken met well, so, anyway, onafgemaakte zinnen en vraagstaartjes zonder anderen onbedoeld te onderbreken.
- Om verduidelijking vragenA2 — Lokaliseer een misverstand beleefd met sorry, what do you mean, do you mean en gerichte echovragen.
- Bewuste vaagheidB2 — Gebruik benaderingen, categorie-uitbreiders en afzwakkers om passende onzekerheid, solidariteit of bescheidenheid uit te drukken.
- Directheid in Nederlands en EngelsC1 — Leer hoe directheid, verzachting en stilte in Engelstalige interactie de relatie tussen gesprekspartners vormgeven.
Regionale variatie
Engelstalige wereld
- Overzicht van belangrijke Engelse variëteitenA2 — Ontdek hoe Engelse variëteiten systematisch verschillen en waarom verstaanbaarheid belangrijker is dan één zogenaamd juist accent.
- Britse en Amerikaanse grammaticaverschillenB1 — Vergelijk frequente Britse en Amerikaanse voorkeuren in tijd, congruentie, werkwoordsvormen en voorzetsels zonder er harde grenzen van te maken.
- Britse en Amerikaanse woordenschatB1 — Vergelijk Britse en Amerikaanse woorden voor wonen, reizen en instituties en voorkom misverstanden achter schijnbaar eenvoudige equivalenten.
- Iers EngelsC1 — Leer kenmerkende grammatica en gesprekspartikels van Iers Engels begrijpen zonder regionale variatie tot fouten of clichés te reduceren.
- Schots Engels en ScotsC1 — Onderscheid Scottish Standard English van Scots en begrijp hoe grammatica, woordenschat en stijlkeuze in Schotse repertoires samenwerken.
- Australisch en Nieuw-Zeelands EngelsC1 — Herken Australische en Nieuw-Zeelandse klinkers, stijgende mededelingen, verkortingen en gesprekspartikels zonder accenten te karikaturiseren.
- Canadees EngelsB2 — Herken Canadian raising, de cot–caught-samenval, genuanceerd eh en de eigen Canadese combinatie van spellingnormen.
- Indiaas EngelsC1 — Begrijp hoe Indiaas-Engelse grammatica en kantoorwoordenschat eigen normen vormen en wanneer een internationaal alternatief nuttig is.
- Singaporees Engels en SinglishC1 — Onderscheid Standard Singapore English van Singlish en begrijp hoe partikels, topicstructuren en stijlwisseling sociale betekenis dragen.
- World Englishes en internationale verstaanbaarheidC2 — Ontwikkel internationale Engelse competentie door variatie te herkennen, je taal af te stemmen en misverstanden gezamenlijk te herstellen.
Register en stijl
Variatie naar genre
- Formeel en informeel EngelsB1 — Herken hoe combinaties van contracties, woordkeuze, zinsbouw en aanspreekvorm samen het Engelse register bepalen.
- Academisch EngelsC1 — Doseer zekerheid, positioneer bronnen en maak handelende partijen zichtbaar in nauwkeurig academisch Engels.
- Zakelijke e-mailsB1 — Bouw heldere zakelijke e-mails met een passende aanhef, vroeg doel, werkbaar verzoek, concrete deadline en relationeel slot.
- Conversationeel EngelsB1 — Begrijp hoe fragmenten, contracties, discourse markers en tails gesproken Engels voor realtime interactie organiseren.
- NieuwsregisterB2 — Lees en schrijf Engelse krantenkoppen, nieuwsintro's en bronformuleringen zonder hun compacte grammatica met gewone zinnen te verwarren.
- Juridisch en contractueel EngelsC2 — Ontleed verplichtingen, definities en voorwaarden in juridisch Engels en onderscheid werkelijke precisie van plechtig klinkende formuleringen.
- Wetenschappelijk proces en resultaatC1 — Gebruik tijd, actief en passief, en voorzichtige causaliteit om methode, bevinding en interpretatie in wetenschappelijk Engels uit elkaar te houden.
- Chats en sociale mediaB2 — Herken hoe ellipsis, spelling, emoji's, afkortingen en discourse markers relatie, tempo en publiek sturen in digitaal Engels.
- Helder en toegankelijk EngelsC1 — Verminder bureaucratische dichtheid met concrete werkwoorden, zichtbare handelende partijen en een informatievolgorde die lezers helpt handelen.
- Engels in dienstverleningB1 — Maak klantcontact professioneel met begroetingen, aanbodsvormen, voorwaardelijke zinnen en concrete tijdverwachtingen.
- Literaire zinsbouw herkennenC2 — Lees hoe inversie, fragmenten, vrije indirecte rede en gemarkeerde interpunctie perspectief en ritme sturen.
Spelling en interpunctie
Interpunctie
- Punt en komma in basiszinnenA2 — Leer met een punt of een komma plus voegwoord duidelijke grenzen tussen Engelse basiszinnen te schrijven.
- De Oxford commaB2 — Leer wanneer de komma vóór ‘and’ of ‘or’ in een Engelse lijst optioneel, stijlgebonden of nodig voor de duidelijkheid is.
- Puntkomma en dubbele puntB2 — Leer hoe de puntkomma hoofdzinnen verbindt en hoe de dubbele punt een uitleg, gevolg of opsomming aankondigt.
- Aanhalingstekens en geciteerde interpunctieC1 — Vergelijk Amerikaanse en Britse conventies voor aanhalingstekens, citaat-in-citaat en de plaats van komma's en punten.
- Interpunctie bij directe redeB2 — Gebruik komma's, hoofdletters, speech tags en nieuwe alinea's om directe Engelse dialogen helder te structureren.
- Gedachtestreepjes, haakjes en bijzinnenC1 — Kies bewust tussen komma's, em dashes en haakjes en onderscheid het gedachtestreepje van de en dash en het koppelteken.
Spelling
- Alfabet en letternamenA1 — Leer de Engelse namen van de 26 letters en spel namen, adressen en codes verstaanbaar.
- Hoofdletters in het EngelsA1 — Gebruik Engelse hoofdletters bij zinnen, namen, dagen, maanden, talen, nationaliteiten en I.
- Spelling van regelmatige meervoudenA1 — Vorm regelmatige Engelse meervouden met -s, -es en de juiste veranderingen bij y, f en fe.
- Spelling van de derde persoon op -sA1 — Wanneer een Engelse persoonsvorm in de derde persoon enkelvoud -s, -es of -ies krijgt.
- Spelling voor de uitgang -ingB1 — Hoe je -ing toevoegt na een stomme e, een korte beklemtoonde klinker en een uitgang op -ie.
- Spelling voor de uitgang -edB1 — Hoe je de regelmatige verleden tijd en het voltooid deelwoord correct met -ed spelt.
- Medeklinkers verdubbelen bij suffixenB1 — Een beslisboom voor dubbele slotmedeklinkers vóór -ing, -ed, -er en -est.
- Stomme e en klinkerpatronenB1 — Wat een niet-uitgesproken slot-e doet en wanneer die e bij een suffix blijft staan of wegvalt.
- IE en EI zonder misleidend ezelsbruggetjeC1 — Leer Engelse woorden met ie en ei spellen via klank, herkomst en woordfamilies in plaats van een onbetrouwbare rijmregel.
- De spelling oughB1 — Orden ough-woorden in kleine rijmende families en leer waarom één lettergroep in het Engels zo verschillend klinkt.
- Homofonen correct spellenB1 — Kies bij Engelse homofonen de spelling op basis van grammaticale functie en betekenis, niet alleen op basis van klank.
- Apostrof bij bezitB1 — Plaats de Engelse bezitsapostrof correct bij enkelvoudige, regelmatige meervoudige en onregelmatige meervoudige bezitters.
- Apostrof in samentrekkingenA2 — Lees en schrijf Engelse samentrekkingen door te herkennen welke letters de apostrof vervangt en welke grammaticale informatie overblijft.
- Koppeltekens in samenstellingenC1 — Leer wanneer Engelse samenstellingen los, aaneen of met een koppelteken worden geschreven, vooral vóór een zelfstandig naamwoord.
- Britse en Amerikaanse spellingB2 — Herken systematische Britse en Amerikaanse spellingverschillen en kies binnen één tekst consequent voor een passende huisstijl.
- Diakritische tekens in leenwoordenC1 — Leer wanneer Engelse leenwoorden accenten of trema's behouden, verliezen of volgens een redactionele huisstijl krijgen.
Uitdrukkingen en collocaties
Kerncollocaties
- Collocaties met have en takeA2 — Leer vaste combinaties met have en take voor maaltijden, ervaringen, handelingen en tijd, inclusief belangrijke Amerikaanse en Britse verschillen.
- Collocaties met getA2 — Begrijp hoe get ontvangst, verandering, aankomst en veroorzaking uitdrukt en waarom de Nederlandse vertaling per complement verandert.
- Collocaties met giveB1 — Leer waarom give een toespraak, advies, een kans en een zucht op verschillende grammaticale manieren verpakt.
- Collocaties met payB1 — Gebruik pay attention, pay a visit, pay a fine en pay someone a compliment met het juiste object en lidwoord.
- Uitdrukkingen met timeA2 — Onderscheid on time, in time, at times, by the time en for the time being in planning en tijdelijke situaties.
- Uitdrukkingen met wayB1 — Onderscheid by the way, in a way, on the way, in the way, the way en no way aan vorm en functie.
- Uitdrukkingen met mindB1 — Gebruik would you mind, never mind, make up your mind en bear in mind met de juiste aanvulling en pragmatiek.
- Vaste gebeurtenisuitdrukkingenB1 — Kies nauwkeurig tussen take place, happen, occur en be held voor geplande en onverwachte gebeurtenissen.
- Veelgebruikte Engelse spreekwoordenB2 — Gebruik Engelse spreekwoorden in hun vaste vorm en kies een cultureel passend equivalent in plaats van een letterlijke vertaling.
- Vaste woordparenB2 — Herken Engelse binomials en leer waarom hun vaste volgorde niet zomaar kan worden omgekeerd.
- Idioom, cliché en registerC1 — Beoordeel niet alleen wat een idioom betekent, maar ook welk genre-effect en welke sociale toon het oproept.
Uitspraak en luisteren
Fundamenten
- Overzicht van de Engelse uitspraakA1 — Een praktische kennismaking met Engelse klanken, klemtoon en ritme voor Nederlandstalige leerders.
- IPA lezen voor Engelse woordenboekenB1 — Leer Engelse woordenboektranscripties lezen en Britse en Amerikaanse uitspraaknotaties verstandig vergelijken.
- Van spelling naar klankA1 — Leer Engelse spellingpatronen gebruiken zonder letters automatisch Nederlandse klankwaarden te geven.
- WoordklemtoonB1 — Leer hoe Engelse woordklemtoon klinkers, woordsoorten en de herkenbaarheid van langere woorden bepaalt.
- Zinsklemtoon en focusB1 — Gebruik Engelse zinsklemtoon om nieuwe informatie, contrast en de kern van je boodschap hoorbaar te maken.
- Zwakke vormen van functiewoordenB1 — Leer waarom Engelse functiewoorden in onbeklemtoonde positie worden gereduceerd en wanneer hun sterke uitspraak juist nodig is.
- De sjwa in onbeklemtoonde lettergrepenB1 — Ontdek hoe de neutrale klinker /ə/ uiteenlopende Engelse spellingen verbindt en onbeklemtoonde lettergrepen natuurlijk laat klinken.
- Verbonden spraakB2 — Leer hoe linking, herlettergrepering, assimilatie en elisie Engelse woorden in natuurlijke spraak met elkaar verbinden.
- Engels ritme tegenover Nederlands ritmeB1 — Vergelijk het klemtoonritme van Engels en Nederlands en leer Engelse zwakke lettergrepen compacter tussen de sterke pulsen te plaatsen.
Intonatie
- Intonatie in mededelende zinnenB1 — Leer hoe dalende, vlakke en stijgende contouren dezelfde Engelse mededeling voltooid, voorlopig of afstandelijk laten klinken.
- Intonatie in vragenB1 — Leer hoe stijgende, dalende en afwijkende tooncontouren het type en de houding van Engelse vragen hoorbaar maken.
- Intonatie in lijsten en alternatievenB1 — Gebruik Engelse intonatie om hoorbaar te maken of een lijst doorgaat, eindigt of echte alternatieven aanbiedt.
- Intonatie, houding en implicatieC1 — Ontdek hoe Engelse tooncontouren voorbehoud, betrokkenheid, afstand en sarcasme uitdrukken zonder dat de woorden veranderen.
Klinkers en uitgangen
- De klinkers in ship en sheepA2 — Leer het verschil in klankkleur én duur tussen de Engelse KIT-klinker /ɪ/ en FLEECE-klinker /iː/.
- De klinkers in bed en badA2 — Leer met een kleine maar beslissende kaakbeweging het Engelse verschil tussen DRESS in bed en TRAP in bad te bewaren.
- De klinkers in cut en cartA2 — Bouw de Engelse STRUT- en START-categorieën op en houd cut, cat, cart en cot uiteen in Britse en Amerikaanse accentmodellen.
- De klinkers in lot en thoughtB1 — Leer hoe LOT en THOUGHT per Engels accent gescheiden of samengevallen zijn en waarom de spelling de klinker niet betrouwbaar voorspelt.
- De klinkers in foot en foodA2 — Onderscheid de Engelse FOOT- en GOOSE-klinkers en leer waarom de spelling oo geen vaste uitspraak garandeert.
- De klinker in nurseB2 — Herken de NURSE-klinker achter uiteenlopende spellingen en spreek hem samenhangend uit in rhotische en niet-rhotische accentmodellen.
- Belangrijkste Engelse tweeklankenA2 — Leer de glijdende beweging in FACE, GOAT, PRICE, MOUTH en CHOICE herkennen en produceren zonder één accent exact te kopiëren.
- Uitspraak van meervoud en derde persoonA1 — Pas één klankregel toe om Engelse uitgangen als /s/, /z/ of een extra lettergreep /ɪz/ uit te spreken.
- Uitspraak van de uitgang -edA1 — Leer wanneer de regelmatige verleden-tijduitgang -ed klinkt als t, d of id.
- Veelvoorkomende reducties verstaanB2 — Herken veelvoorkomende gesproken reducties zonder ze in neutraal of formeel schrift over te nemen.
Medeklinkers
- De klanken in think en thisA2 — Maak en onderscheid de stemloze en stemhebbende Engelse th-klank zonder ze door t, s of d te vervangen.
- W en V uit elkaar houdenA2 — Splits de Nederlandse w op in twee Engelse mondgebaren en maak west, vest, wine en vine duidelijk verstaanbaar.
- De Engelse RB1 — Leer de Engelse R vormen en kies bewust tussen een rhotisch Amerikaans en een niet-rhotisch Brits accentmodel.
- De H en klinkerinzetA2 — Houd de Engelse H licht maar hoorbaar in inhoudswoorden en herken wanneer zij in zwakke functiewoorden wegvalt.
- Aspiratie van P, T en KB2 — Gebruik de juiste luchtstoot bij Engelse P, T en K en vermijd aspiratie na S.
- Eindmedeklinkers en stemA2 — Voorkom Nederlandse eindverscherping en maak Engelse woordparen herkenbaar via slotmedeklinker én klinkerduur.
- Heldere en donkere LB2 — Herken en vorm de heldere Engelse L vóór klinkers en de donkere L aan het einde van een lettergreep.
- NG zonder extra GA2 — Leer wanneer Engelse ng één neusklank /ŋ/ vormt, wanneer er werkelijk /ŋɡ/ klinkt en hoe morfeemgrenzen het verschil zichtbaar maken.
- De J-klank in yes en newB2 — Leer de Engelse glijklank /j/ in yes en year en herken systematische Britse en Amerikaanse verschillen na medeklinkers.
Veelgemaakte fouten
Nederlandse transfer
- Werkwoordvolgorde in Engelse bijzinnenA2 — Behoud in Engelse bijzinnen de gewone onderwerp-werkwoord-objectvolgorde en verplaats werkwoorden niet naar het einde zoals in het Nederlands.
- Geen Nederlandse inversie na een vooropgeplaatste bepalingA2 — Voorkom Nederlandse woordvolgorde in Engelse hoofdzinnen die met een tijd-, plaats- of andere bepaling beginnen.
- Sinds met present perfectA2 — Gebruik de present perfect voor een toestand of activiteit die in het verleden begon en nu nog voortduurt.
- Actual, current en eventueelA2 — Kies actual voor werkelijk, current voor huidig en contextgevoelige Engelse vormen voor Nederlands eventueel.
- Eventually tegenover eventueelA2 — Onderscheid het temporele eventually, ‘uiteindelijk’, van de vele modale vertalingen van Nederlands eventueel.
- Control, check en monitorB1 — Vertaal controleren naar doel: stuur iets met control, kijk het na met check en volg het doorlopend met monitor.
- Take a photo, geen make a photoA2 — Leer waarom Engels een foto doorgaans neemt met take en wanneer make wél over het vervaardigen van een beeld gaat.
- Become of get voor wordenA2 — Vertaal worden als become bij een nieuwe toestand, get in alledaagse verandering en be of get bij een passieve gebeurtenis.
- Learn of teachA2 — Kies learn vanuit de leerling en teach vanuit de docent, met de juiste objectpatronen voor kennis en personen.
- Congratulate en congratulationsB1 — Gebruik congratulate met een direct persoonsobject en on, maar congratulations met to voor de persoon en on voor de aanleiding.
- Explain it to meA2 — Gebruik explain met de uitleg als direct object en markeer de ontvanger met to: explain the rule to me.
- Discuss zonder aboutA2 — Gebruik discuss rechtstreeks met een onderwerp, maar talk about en have a discussion about met about.
- Married to, niet withA2 — Zeg be married to voor een partner, marry zonder voorzetsel en get married voor de gebeurtenis.
- Responsible forA2 — Gebruik responsible for voor een taak of oorzaak en responsible to voor de persoon of instantie waaraan iemand verantwoording aflegt.
- Interested inA2 — Gebruik interested in voor degene die belangstelling voelt en interesting voor wat die belangstelling oproept.
- Bored en boringA2 — Gebruik bored voor wie verveling ervaart en boring voor wat die verveling veroorzaakt.
- Verplicht onderwerp in weer- en tijdzinnenA1 — Leer waarom een Engelse zin ook bij weer, tijd, afstand en uitgestelde informatie het betekenisloze onderwerp it nodig heeft.
- Geen comma splice tussen hoofdzinnenB1 — Verbind twee zelfstandige Engelse hoofdzinnen met een punt, puntkomma of een komma plus nevenschikkend voegwoord.
Voegwoorden en tekstverband
Cohesie
- Toevoeging met also, moreover en furthermoreB1 — Kies tussen clause-intern also en de formelere verbindingswoorden moreover en furthermore op basis van positie, register en retorisch gewicht.
- Contrast met however, nevertheless en stillB2 — Verbind contrasterende uitspraken met however, nevertheless en still zonder ze syntactisch als nevenschikkende voegwoorden te behandelen.
- Gevolg met so, therefore en thusB1 — Druk gevolg uit met het nevenschikkende so en de zinsbijwoorden therefore en thus, met passende woordvolgorde, interpunctie en registerkeuze.
- Voorbeelden met for example en such asA2 — Kies tussen for example voor een illustrerende uitspraak en such as voor voorbeelden binnen een naamwoordgroep.
- Herformuleren met in other words en that isB2 — Stuur met in other words, that is en namely hoe de lezer een tweede formulering als parafrase, precisering of volledige benoeming interpreteert.
- Volgorde met first, then en finallyA2 — Structureer handelingen en argumenten met first, then en finally, met consequente interpunctie, werkwoordsvormen en retorische hiërarchie.
- Concessie met even so en all the sameB2 — Behoud een conclusie ondanks een erkend bezwaar met even so en all the same, en onderscheid deze zinsmarkeerders van even though.
- Onderwerp wisselen en terugkerenC1 — Beheer gespreksonderwerpen met as for, regarding, by the way en anyway, afgestemd op continuïteit, sociale functie en register.
- HoudingsmarkeerdersC1 — Laat met arguably, admittedly, apparently en in fact zien hoe zeker je bent, welk bewijs je hebt en welke tegenwerping je erkent.
- Lexicale en grammaticale cohesieC1 — Volg referenten over zinnen met een doordachte combinatie van herhaling, voornaamwoorden, demonstratieven, ellipsis en lexicale ketens.
- Gegeven en nieuwe informatieB2 — Verpak dezelfde feiten anders naargelang wat de lezer al weet en wat als nieuwe kern van de boodschap moet binnenkomen.
- Verband tussen alinea'sC1 — Bouw samenhang tussen alinea's met topicszinnen, inhoudelijke bruggen en doelgerichte lexicale herneming in plaats van een overvloed aan signaalwoorden.
Coördinatie
- And: toevoeging en gevolgA1 — Gebruik and om gelijkwaardige woorden, zinsdelen en zinnen te verbinden en laat vorm, volgorde en interpunctie de bedoelde relatie ondersteunen.
- But en yetA2 — Kies but voor neutraal contrast en contrastief yet wanneer het tweede deel nadrukkelijk tegen een verwachting ingaat.
- Or en alternatievenA2 — Gebruik or voor keuzes, herformuleringen en waarschuwingen en laat context en intonatie bepalen hoe de alternatieven zich tot elkaar verhouden.
- Nor als coordinatorB2 — Gebruik nor na een negatieve context, met inversie in een volledige tweede deelzin maar zonder inversie binnen een woordgroep.
- Both and, either or en neither norB1 — Koppel gelijksoortige zinsdelen met both ... and, either ... or en neither ... nor en kies passende congruentie bij samengestelde onderwerpen.
- Not only maar ookB2 — Gebruik not only ... but also parallel en leer waarom vooropgeplaatst not only hulpwerkwoordinversie veroorzaakt.
Voornaamwoorden
Aanwijzend en onbepaald
- Aanwijzende voornaamwoordenA1 — Leer hoe this, that, these en those zelfstandig verwijzen naar nabije, verre en eerder genoemde zaken.
- One en ones als vervangwoordenB1 — Leer hoe one en ones een telbaar zelfstandig naamwoord vervangen waar het Nederlands vaak alleen een verbogen adjectief gebruikt.
- Someone, anyone, no one en everyoneA2 — Leer hoe Engelse onbepaalde persoonsvoornaamwoorden enkelvoudige congruentie combineren met de betekenis van één of meer onbekende mensen.
- Something, anything, nothing en everythingA2 — Leer hoe onbepaalde zaakvoornaamwoorden zelfstandig staan, some-any-polariteit volgen en hun adjectief juist ná zich krijgen.
- Bezittelijke vormen van wederkerige voornaamwoordenB2 — Leer waarom each other's en one another's hun apostrof aan de hele vaste voornaamwoordgroep hechten en hoe ze wederzijds bezit uitdrukken.
- Voornaamwoorden met of-constructiesB1 — Leer wanneer some, any, none, both, either en neither met of plus een afgebakende groep worden verbonden en waar of optioneel is.
Bezittelijk en wederkerend
- Bezittelijke voornaamwoordenA1 — Leer hoe mine, yours, his, hers, ours en theirs zelfstandig bezit uitdrukken, zonder zelfstandig naamwoord of apostrof.
- Wederkerende voornaamwoordenA2 — Leer wanneer Engels myself, yourself en de andere -self-vormen nodig heeft — en wanneer Nederlands zich juist niet wordt vertaald.
- Each other en one anotherB1 — Leer hoe each other en one another wederzijdse relaties uitdrukken en waarom themselves iets anders betekent.
- Nadrukkelijk -selfB1 — Leer hoe -self-vormen nadruk leggen, waar ze in de zin kunnen staan en waarom by myself ‘alleen’ betekent.
Geavanceerd
- Dummy there tegenover dummy itB2 — Onderscheid existential there, dat iets nieuws introduceert, van dummy it bij tijd, weer, afstand en uitgestelde inhoud.
- Voornaamwoordreferentie in langere tekstenC1 — Houd verwijsketens helder door antecedentafstand, getal, bezieldheid en discoursfocus bewust te sturen.
- Voornaamwoorden in formeel en inclusief schrijvenC2 — Kies in beleid, onderzoek en instructies tussen singular they, one, you en meervoud op basis van inclusiviteit, helderheid en genre.
- Thou, thee, thy en thine herkennenC2 — Herken de historische tweede persoon in oudere teksten, inclusief naamval, bezit, werkwoordsvormen en sociale betekenis.
- Royal we en editorial weC2 — Herken hoe we een vorst, redactie of auteur kan vertegenwoordigen en retorische autoriteit of gedeelde redenering opbouwt.
Persoonlijk
- OnderwerpsvoornaamwoordenA1 — Leer de Engelse onderwerpsvormen I, you, he, she, it, we en they en wanneer een zichtbaar onderwerp verplicht is.
- ObjectvoornaamwoordenA1 — Leer wanneer het Engels me, you, him, her, it, us en them gebruikt na een werkwoord of voorzetsel.
- It voor dingen, weer en afstandA1 — Gebruik it als verwijzend voornaamwoord en als verplicht onderwerp bij weer, tijd, afstand en uitgestelde zinnen.
- Enkelvoudig theyB1 — Gebruik enkelvoudig they bij onbekend, irrelevant of niet-binair gender met grammaticaal meervoudige werkwoordsvormen.
- He, she en it bij personen en zakenA2 — Kies Engelse voornaamwoorden op basis van persoon, natuurlijk gender en betrokkenheid, niet op basis van Nederlands woordgeslacht.
- Algemeen one, you en theyB2 — Kies tussen formeel one, inclusief algemeen you en afstandelijk they om mensen in het algemeen aan te duiden.
Vraag en relatief
- Who en whomC1 — Leer wanneer Engels who of whom gebruikt en waarom voorzetselplaatsing en register vaak belangrijker zijn dan de oude naamvalsregel.
- Which en whatA2 — Leer hoe which uit een begrensde reeks kiest en what om open informatie vraagt, als determinator én als zelfstandig voornaamwoord.
- Who, which en that in relatieve bijzinnenB1 — Leer hoe who, which en that een antecedent verbinden en waarom persoon, restrictiviteit en komma's samen de juiste vorm bepalen.
- Relatief whoseB1 — Leer hoe relatief whose bezit en andere relaties uitdrukt bij mensen, dieren én zaken, en hoe de hele whose-groep in de bijzin functioneert.
- NulrelatiefB1 — Leer wanneer het Engelse relatieve voornaamwoord als object mag verdwijnen en waarom een relatief onderwerp of niet-restrictieve vorm nooit nul kan zijn.
- Vrij relatief whatC1 — Leer hoe what zonder afzonderlijk antecedent ongeveer ‘the thing that’ betekent en een volledige naamwoordelijke bijzin vormt.
Voorzetsels
Grammaticale patronen
- VoorzetselstrandingB2 — Leer waarom Engelse voorzetsels natuurlijk achteraan kunnen blijven in vragen, betrekkelijke bijzinnen en passieve zinnen.
- Vooropgeplaatst voorzetsel in formele stijlC2 — Leer hoe preposition plus whom of which formele vragen en betrekkelijke bijzinnen vormt en welke keuzes daardoor uitgesloten zijn.
- Werkwoord plus vast voorzetselA2 — Leer Engelse werkwoorden als depend on, listen to, wait for en apply for als complete lexicale patronen in plaats van woord voor woord te vertalen.
- Zelfstandig naamwoord plus voorzetselB2 — Leer vaste Engelse naamwoordpatronen als reason for, solution to, increase in en effect on en voorkom letterlijke overdracht uit het Nederlands.
- Voorzetsel plus -ingB1 — Leer waarom na een Engels voorzetsel een naamwoordgroep of een -ing-complement volgt, ook wanneer dat voorzetsel to is.
- Except, besides en apart fromB2 — Kies nauwkeurig tussen uitsluitend except, toevoegend besides en het contextafhankelijke apart from wanneer Nederlands behalve gebruikt.
- Despite en in spite ofB2 — Gebruik despite en in spite of met het juiste complement en onderscheid prepositionele concessie van een bijzin met although.
Ruimte en tijd
- In, on en at voor plaatsA1 — Kies in, on of at door een plaats te zien als ruimte, oppervlak of punt.
- In, on en at voor tijdA1 — Kies in, on of at met een voorspelbare hiërarchie van periode, kalenderdag en tijdstip.
- To, at en in bij bestemming en locatieA2 — Leer hoe bewegingswerkwoord en schaal van de bestemming samen de keuze tussen to, at en in bepalen.
- Into tegenover inB1 — Onderscheid grensoverschrijdende beweging met into van locatie of beweging binnen een ruimte met in.
- On tegenover ontoB1 — Leer wanneer Engels on gebruikt voor een positie of resultaat en wanneer onto een beweging naar een oppervlak expliciet maakt.
- From en out ofB1 — Leer hoe from een brede oorsprong markeert en out of een beweging uit een binnenruimte, materiaal, reden of tekort uitdrukt.
- Above en overB1 — Leer hoe above een hogere positie of schaalwaarde aangeeft en over daarnaast bedekking, overschrijding en beweging kan uitdrukken.
- Below en underB1 — Leer hoe below een lager niveau beschrijft en under daarnaast dekking, onderschikking, toestand en minder-dan kan uitdrukken.
- Between en amongB1 — Leer waarom between afzonderlijke leden en relaties profileert, terwijl among iemand of iets binnen een groep plaatst.
- Beside en besidesB1 — Leer hoe beside fysieke of figuurlijke nabijheid uitdrukt en hoe besides een toevoeging of uitzondering introduceert.
- Across en throughB1 — Kies across voor beweging over een vlak of van zijde naar zijde en through voor beweging door een binnenruimte, medium of proces.
- Along en pastB1 — Leer hoe along een route of lijn volgt en hoe past beweging voorbij een referentiepunt of tijd na het uur uitdrukt.
- By en with bij middel en handelende persoonB1 — Leer hoe by een actor, methode of vervoerswijze markeert en hoe with een instrument of begeleider introduceert.
- For en since bij duurA2 — Leer hoe for de lengte van een periode meet en since het beginpunt van een voortdurende situatie verankert.
- During en forA2 — Leer waarom during een gebeurtenis of periode als kader neemt, terwijl for de duur van een toestand of handeling meet.
- By en untilB1 — Onderscheid de uiterste deadline van by van de voortduring tot een tijdsgrens met until.
- On time en in timeA2 — Leer het verschil tussen stiptheid volgens een planning en vroeg genoeg zijn om een kans niet te missen.
Vragen
Basis
- Ja-neevragenA1 — Vorm Engelse ja-neevragen met inversie, do-support en het bijzondere patroon van be.
- Wh-vragenA1 — Bouw Engelse informatievragen met een vraagwoord, inversie en waar nodig do-support.
- Onderwerpsvraag of objectvraagA2 — Bepaal of who of what onderwerp of object is en kies zo de juiste Engelse vraagvolgorde.
- KeuzevragenA2 — Gebruik or en intonatie om in het Engels tussen echte alternatieven te laten kiezen.
- Negatieve vragenB1 — Vorm en interpreteer Engelse negatieve vragen als uiting van verwachting, verrassing, suggestie of kritiek.
- Vorm van Engelse vraagstaartjesA2 — Bouw Engelse question tags met de juiste polariteit, het juiste hulpwerkwoord en een passend voornaamwoord.
- Intonatie en betekenis van vraagstaartjesB2 — Gebruik stijgende en dalende intonatie om met hetzelfde Engelse vraagstaartje onzekerheid, bevestiging of sociale houding uit te drukken.
Complex
- Indirecte vragenB1 — Bouw beleefde en ingebedde Engelse vragen met mededelende woordvolgorde en if of whether.
- Vraagbijzinnen als zinsdeelB1 — Gebruik wh- en whether-vraagbijzinnen als onderwerp, object of naamwoordelijk deel zonder vraaginversie.
- Whether en ifB2 — Kies tussen whether en if in ingebedde ja-neevragen, vaste constructies en mogelijk dubbelzinnige contexten.
- EchovragenB1 — Gebruik Engelse echovragen om verrassing te tonen of één gemist stukje informatie te herstellen.
- Retorische vragenC1 — Herken hoe Engelse vragen indirect een bewering, kritiek, aansporing of gedeelde aanname uitdrukken.
- Vragen met meerdere wh-elementenC2 — Bouw Engelse vragen met twee of meer vraagwoordgroepen door er één voorop te plaatsen en de andere in situ te laten.
Werkwoorden
Fundamenten
- Overzicht van het Engelse werkwoordsysteemA2 — Leer hoe Engelse werkwoordsvormen, hulpwerkwoorden, tijd, aspect en finietheid samen één voorspelbaar systeem vormen.
- De vijf kernvormen van Engelse werkwoordenA1 — Leer hoe grondvorm, derde-persoonsvorm, past, voltooid deelwoord en -ing-vorm vrijwel alle Engelse werkwoordgroepen opbouwen.
- Finiete en niet-finiete werkwoordsvormenB1 — Leer welk werkwoord tijd en congruentie draagt en hoe infinitieven en deelwoorden daarvan afhankelijke, verkorte structuren bouwen.
- Volgorde van hulpwerkwoordenB2 — Leer de vaste volgorde modaliteit–perfect–progressive–passief en bouw lange Engelse werkwoordketens schakel voor schakel.
- Do-supportA2 — Leer wanneer do, does en did tijd dragen in Engelse vragen, ontkenningen en nadrukkelijke bevestigingen.
- Congruentie tussen onderwerp en werkwoordA1 — Leer hoe Engelse werkwoorden in persoon en getal aansluiten bij hun onderwerp, ook wanneer dat onderwerp lang of misleidend is.
- Statische en dynamische werkwoordenB1 — Begrijp waarom Engelse toestandswerkwoorden meestal een simple vorm krijgen en wanneer een dynamische betekenis juist een progressive mogelijk maakt.
- Overgankelijke en onovergankelijke werkwoordenB1 — Leer welke Engelse werkwoorden een direct object toelaten, welke zonder object staan en hoe dezelfde vorm oorzaak of verandering kan uitdrukken.
- Werkwoorden met twee objectenB1 — Leer wanneer Engelse werkwoorden een ontvanger en een zaak als twee objecten kunnen uitdrukken en wanneer een to-constructie verplicht is.
- KoppelwerkwoordenB1 — Leer hoe Engelse koppelwerkwoorden het onderwerp verbinden met een beschrijving, identiteit of toestand en waarom daarop meestal een adjectief volgt.
Gewoonte en gewenning
- Used to voor vroegere gewoonten en toestandenA2 — Gebruik used to om vroegere gewoonten en toestanden te beschrijven die niet langer gelden, en onderscheid de vorm van de past simple en habitueel would.
- Be used to en get used toB1 — Onderscheid gewend zijn met be used to van wennen met get used to en kies na het voorzetsel to een naamwoord, voornaamwoord of gerund.
Modale werkwoorden
- Overzicht van modale werkwoordenA2 — Leer hoe Engelse modale hulpwerkwoorden worden gevormd en hoe ze mogelijkheid, noodzaak en houding uitdrukken.
- Can en could voor vaardigheidA1 — Gebruik can voor huidige vaardigheid, could voor algemene vaardigheid in het verleden en managed to voor één geslaagde prestatie.
- Can, could en may voor toestemmingA2 — Kies can, could of may volgens de richting van toestemming, de machtsverhouding en het register.
- May en might voor mogelijkheidA2 — Druk onzekere mogelijkheid uit met may en might en herken waarom might niet automatisch verleden tijd is.
- Must voor verplichtingA2 — Leer hoe must sterke verplichting uitdrukt, waarom het geen gewone verleden tijd heeft en hoe mustn't verschilt van don't have to.
- Must voor logische conclusieB1 — Gebruik epistemisch must voor een sterke conclusie uit bewijs en can't voor een sterke negatieve conclusie.
- Have to en have got toA2 — Leer hoe have to in alle tijden noodzaak uitdrukt en wanneer het informele have got to mogelijk is.
- Should en ought to voor adviesA2 — Gebruik should en ought to voor advies, milde plicht en verwachtingen, met de juiste ontkenning en infinitiefvorm.
- Would voor vroegere gewoontenB1 — Gebruik would voor herhaalde handelingen in een gevestigd verleden tijdskader en used to ook voor vroegere toestanden.
- Will en would voor bereidheidB1 — Leer hoe will en would niet alleen tijd, maar ook bereidheid, weigering en kenmerkend gedrag uitdrukken.
- Need en dare als semi-modalsC2 — Onderscheid modaal need en dare van hun gewone werkwoordspatronen en kies de passende vorm voor register en dialect.
- Had betterB1 — Gebruik had better voor dringend praktisch advies en vermijd fouten met verleden tijd, to en ontkenning.
- Be supposed toB1 — Gebruik be supposed to voor regels, verwachtingen, afspraken en informatie van horen zeggen, ook bij niet-naleving.
- Be able to en be allowed toA2 — Vul de ontbrekende vormen van can en may aan met be able to voor vermogen en be allowed to voor toestemming.
- Modaal hulpwerkwoord plus voltooide infinitiefB2 — Combineer een modal met have en een voltooid deelwoord om conclusies, mogelijkheden, verwachtingen en kritiek over het verleden uit te drukken.
- Modals met progressive en passiveB2 — Stapel modale, voltooide, progressieve en passieve hulpwerkwoorden in een vaste volgorde, waarbij iedere laag de vorm van het volgende werkwoord bepaalt.
Niet-finiete vormen
- De to-infinitiefA2 — Leer hoe to plus de grondvorm een tijdloze deelzin vormt als complement, doelbepaling of onderwerp, en waar not hoort.
- De kale infinitiefA2 — Leer waar Engels de grondvorm zonder to gebruikt, van modale hulpwerkwoorden en do-support tot let, make en waarnemingswerkwoorden.
- De gerund op -ingA2 — Leer hoe een Engelse -ing-deelzin uiterlijk een naamwoordfunctie vervult maar vanbinnen de grammatica van een werkwoord behoudt.
- Werkwoordpatronen met gerund of infinitiefB1 — Leer welke Engelse werkwoorden -ing, een to-infinitief of beide selecteren en wanneer de complementvorm de betekenis verandert.
- Remember, forget en regret met twee complementenC1 — Gebruik gerund en to-infinitief bij remember, forget en regret om terugblik, nog uit te voeren handelingen en formele mededelingen te onderscheiden.
- Try en mean met gerund of infinitiefB2 — Leer hoe try en mean met een -ing-vorm of to-infinitief een andere handelingslogica en betekenis krijgen.
- Present participle in clausesB1 — Herken en gebruik het Engelse present participle in progressieve werkwoordgroepen, verkorte betrekkelijke bijzinnen en adjuncten.
- Past participle in clausesB1 — Leer hoe het past participle perfect en passief vormt, naamwoorden bepaalt en in verkorte deelzinnen functioneert.
- Voltooide deelwoordconstructies met havingC1 — Gebruik having + past participle om anterioriteit in niet-finiete adjuncten uit te drukken zonder een dangling onderwerp te maken.
- De voltooide infinitiefB2 — Leer met (to) have + past participle een gebeurtenis vóór een rapportage, beoordeling of modale evaluatie te plaatsen.
- De progressieve infinitiefC1 — Leer hoe be plus een -ing-vorm een handeling als lopend voorstelt na to, modale hulpwerkwoorden en werkwoorden als seem en appear.
- Gesplitste infinitiefC2 — Ontdek wanneer een bijwoord natuurlijk tussen to en de infinitief staat en hoe plaatsing de focus, betekenis en stijl beïnvloedt.
Passief en causatief
- Vorm van de lijdende vormA2 — Bouw het Engelse passief met een passende vorm van be en het voltooid deelwoord, terwijl tijd en lexicale betekenis elk hun eigen plaats behouden.
- Wanneer het passief natuurlijk isB1 — Kies het passief wanneer de onderganger centraal staat en de actor onbekend, voorspelbaar of minder relevant is, niet als automatische markering van formele stijl.
- By-phrase en actorweglatingB1 — Gebruik een by-phrase alleen voor een informatieve actor, onderscheid die van een instrument met with en laat voorspelbare actoren meestal weg.
- Get-passiveB2 — Leer wanneer get plus voltooid deelwoord een gebeurtenis, verandering of persoonlijke betrokkenheid uitdrukt en waarom het niet elk be-passief kan vervangen.
- Passieve gebeurtenis of resulterende toestandC1 — Onderscheid een echte passieve gebeurtenis van een adjectivische resultaattoestand bij be plus een voltooid deelwoord.
- Passieve constructies met rapporterende werkwoordenC1 — Gebruik it is said that en onderwerp plus is said to om formeel bronnen, overtuigingen en berichten weer te geven.
- Have en get something doneB1 — Gebruik have of get plus object en voltooid deelwoord voor uitbestede diensten, geregelde handelingen en gebeurtenissen die iemand overkomen.
- Make, let en have plus objectB1 — Kies make voor dwang of oorzaak, let voor toestemming en have voor een opdracht, met de juiste infinitiefvorm.
Past continuous
- Vorm van de past continuousB1 — Bouw de past continuous met was of were plus de -ing-vorm, ook in vragen en ontkenningen.
- Achtergrond in verhalenA2 — Gebruik de past continuous voor een lopende achtergrondscene waartegen gebeurtenissen in de past simple plaatsvinden.
- Onderbroken en overlappende handelingenA2 — Leer hoe de past continuous lopende achtergronden en overlap uitdrukt, en waarom when en while geen automatische tijdskeuze bepalen.
- Tijdelijke verleden situatiesB1 — Leer hoe de past continuous tijdelijke bezigheden en veranderende trends binnen een verleden kader presenteert.
- Past continuous voor voorzichtige intentieC1 — Leer hoe I was hoping, thinking en wondering een actueel verzoek of voorstel minder dwingend en sociaal onderhandelbaar maken.
Past perfect
- Vorm van de past perfectB1 — Bouw de past perfect met had en het past participle, inclusief contracties, ontkenningen, vragen en onregelmatige deelwoorden.
- Een eerder verleden momentB1 — Gebruik de past perfect om een gebeurtenis vóór een verleden referentiepunt te plaatsen, zonder hem mechanisch voor elk eerder feit in te zetten.
- Terugblik in verhalenC1 — Gebruik de past perfect als navigatiesignaal om een terugblik te openen, erbinnen te bewegen en daarna helder naar de hoofdverhaallijn terug te keren.
- Past perfect in irreële constructiesB2 — Gebruik had plus het past participle na if, wish en would rather om een verleden mogelijkheid als onwerkelijk, betreurd of afgewezen voor te stellen.
Past perfect continuous
- De past perfect continuousB2 — Gebruik had been met een -ing-vorm om het verloop of de duur van een activiteit vóór een verleden referentiepunt te belichten.
Past simple
- Vorm van de regelmatige past simpleA1 — Leer hoe je regelmatige Engelse werkwoorden in de past simple vormt, spelt en uitspreekt.
- Onregelmatige past simpleA2 — Leer veelvoorkomende onregelmatige past-vormen herkennen en onthouden via vormfamilies en natuurlijke context.
- Afgeronde gebeurtenissen in de past simpleA2 — Leer wanneer een afgesloten tijdvak of afgeronde reeks gebeurtenissen de Engelse past simple vereist.
- Verleden toestanden en gewoontenA2 — Leer hoe de past simple langdurige toestanden en herhaalde gewoonten in een afgesloten verleden periode beschrijft.
- Vragen in de past simpleA2 — Leer past-simplevragen vormen met did, vraagwoorden en de directe inversie van was en were.
- Ontkenning in de past simpleA2 — Leer het verleden ontkennen met did not plus de grondvorm, en met was not of were not bij be.
- Past simple als verhaallijnB1 — Gebruik past simple voor de opeenvolgende hoofdgebeurtenissen en andere verleden tijden voor achtergrond en terugblik.
- Past forms voor afstand en beleefdheidB1 — Gebruik verledenvormen als wanted, wondered en hoped om actuele verzoeken en voorstellen minder dwingend te formuleren.
Present continuous
- Vorm van de present continuousA1 — Leer de present continuous correct bouwen met am, is of are en een onveranderlijke werkwoordsvorm op -ing.
- Handelingen rond het spreekmomentA2 — Gebruik de present continuous voor handelingen en ontwikkelingen die binnen de huidige tijdszone gaande zijn.
- Tijdelijke situatiesA2 — Leer hoe de present continuous een huidige situatie als tijdelijk, begrensd of afwijkend van de normale toestand presenteert.
- Always met progressive voor irritatieB1 — Gebruik always, constantly en forever met de progressive om herhaald gedrag als opvallend en vaak irritant te evalueren.
- Stative verbs in de progressiveC1 — Begrijp wanneer Engelse toestandswerkwoorden toch progressief worden doordat hun betekenis als ervaring, proces, gedrag of commerciële evaluatie verschuift.
Present perfect
- Vorm van de present perfectA2 — Leer de present perfect bouwen met have of has en het onveranderlijke past participle, inclusief ontkenningen, vragen en onregelmatige vormen.
- Resultaat dat nu relevant isA2 — Leer hoe de present perfect een voltooide gebeurtenis koppelt aan een zichtbaar, praktisch of gesprekstechnisch relevant resultaat in het heden.
- Levenservaring zonder afgesloten tijdA2 — Leer hoe je met de present perfect vraagt en vertelt wat iemand tot nu toe heeft meegemaakt.
- Present perfect in een nog lopende periodeA2 — Kies tussen present perfect en past simple door te bepalen of today, this week en soortgelijke perioden nog open zijn.
- Just, already en yetA2 — Gebruik just, already en yet op de natuurlijke plaats bij recente voltooiing, vroegheid en verwachting.
- Since en for met de present perfectA2 — Druk een toestand of activiteit uit die bij een beginpunt begon en tot nu toe voortduurt.
- Nieuws aankondigen met present perfectB1 — Leer hoe Brits Engels nieuws met de present perfect introduceert en daarna voor details naar de past simple schakelt.
- Been en goneA2 — Leer hoe has gone, has been to en has been in verschillen in huidige locatie, terugkeer en verblijfsduur.
Present perfect continuous
- Vorm van de present perfect continuousB1 — Bouw de present perfect continuous correct met have of has, het vaste been en een werkwoord op -ing.
- Duur tot nu toeB1 — Gebruik de present perfect continuous voor activiteiten die vroeger begonnen en tot nu of zeer kort geleden voortduren.
- Zichtbaar recent resultaatB1 — Gebruik de present perfect continuous om een recente activiteit af te leiden uit zichtbaar of merkbaar bewijs in het heden.
- Gebruik van de present perfect simple en continuousB2 — Kies tussen de present perfect simple voor uitkomst en aantal en de continuous voor duur, proces en tijdelijke herhaling.
- Stative verbs en perfect continuousB2 — Leer waarom toestandsbetekenissen meestal de simple perfect nemen en wanneer hetzelfde werkwoord toch natuurlijk in de perfect continuous staat.
Present simple
- Vorm van de present simpleA1 — Leer hoe je de present simple vormt, met de derde persoon op -s en de onregelmatige vormen van be en have.
- Gewoonten en routines in de present simpleA1 — Gebruik de present simple voor gewoonten, herhaling, routines en vaste roosters.
- Toestanden in de present simpleA2 — Leer waarom bezit, voorkeur, kennis en algemene waarheden meestal in de present simple staan.
- Performatieven in de present simpleB2 — Ontdek hoe werkwoorden als promise, apologize, declare en recommend een handeling uitvoeren doordat je ze uitspreekt.
- Historisch presensC1 — Gebruik het historisch presens samenhangend in anekdotes, samenvattingen en journalistieke vertellingen.
- Toekomstige roosters in de present simpleA2 — Leer wanneer een vast rooster de present simple krijgt en hoe dat verschilt van een persoonlijke regeling of voorspelling.
- Vragen in de present simpleA1 — Vorm present-simplevragen met do of does, maar keer be en aanwezige hulpwerkwoorden rechtstreeks om.
- Ontkenning in de present simpleA1 — Ontken gewone werkwoorden met do not of does not, maar plaats not rechtstreeks na een vorm van be.
- Nadrukkelijk do in bevestigingenB2 — Gebruik beklemtoond do of does om een bevestiging tegen te spreken, te corrigeren, gerust te stellen of kracht bij te zetten.
- Livecommentaar en demonstratiesB1 — Gebruik de present simple om actuele gebeurtenissen als opeenvolgende acties, stappen of commentatorhandelingen te benoemen.
Toekomst
- Manieren om over de toekomst te sprekenA2 — Leer hoe will, be going to, de present continuous en de present simple elk een ander perspectief op de toekomst geven.
- Will voor voorspellingenA2 — Leer hoe will een voorspelling, mening of spontane gevolgtrekking uitdrukt en hoe dat verschilt van going to bij actueel bewijs.
- Will voor spontane beslissingen en aanbodA2 — Leer hoe will een besluit op het spreekmoment, een aanbod, een belofte of bereidheid van de spreker uitdrukt.
- Be going to voor intentieA2 — Leer hoe be going to een al bestaande intentie uitdrukt en hoe je de constructie correct vervoegt in zinnen, vragen en ontkenningen.
- Be going to voor zichtbare voorspellingA2 — Leer hoe be going to een voorspelling op actuele aanwijzingen baseert en waarom nabijheid op zichzelf deze vorm niet bepaalt.
- Present continuous voor regelingenA2 — Leer hoe de present continuous een concrete toekomstige afspraak of regeling presenteert en hoe die vorm verschilt van een voornemen met going to.
- Present simple in toekomstige tijdsbepalende bijzinnenA2 — Leer waarom Engelse tijdsbepalende bijzinnen na when, until, before, after en as soon as meestal een present-vorm gebruiken voor toekomstige gebeurtenissen.
- De future continuous: een lopend toekomstperspectiefB1 — Leer hoe will be plus -ing een handeling als lopend op een toekomstig moment presenteert, een verwachte routine beschrijft of een tactvolle vraag vormt.
- De future perfect: voltooid vóór een toekomstpuntB2 — Leer hoe will have plus een voltooid deelwoord een handeling als afgerond vóór een toekomstige deadline of mijlpaal presenteert.
- De future perfect continuous: duur tot een toekomstpuntC1 — Leer hoe will have been plus -ing een gemeten activiteit tot aan een toekomstige mijlpaal volgt en wanneer de simple perfect natuurlijker is.
- Toekomst vanuit een verleden perspectiefC1 — Gebruik would, was going to en was about to om vanuit een moment in het verleden vooruit te kijken.
Voorwaardelijk en irreëel
- Zero conditionalA2 — Gebruik present in beide zinsdelen voor algemene wetmatigheden, vaste routines en gevolgen die telkens opnieuw optreden.
- First conditionalA2 — Druk een reële toekomstige mogelijkheid uit met present in de if-zin en will, can, may of een andere passende vorm in de hoofdzin.
- Second conditionalB1 — Gebruik een verleden vorm met would om hypothetische, onwaarschijnlijke of bewust op afstand geplaatste situaties in heden en toekomst te bespreken.
- Third conditionalB2 — Bouw contrafeitelijke voorwaarden en gevolgen in het verleden met if plus past perfect en would have plus voltooid deelwoord.
- Gemengde conditionalsC1 — Koppel een onwerkelijke voorwaarde en gevolg met verschillende tijdsperspectieven wanneer oorzaak en uitkomst niet in dezelfde tijd liggen.
- De mandative subjunctive in that-bijzinnenC1 — Leer hoe formeel Engels de onverbogen werkwoordsvorm gebruikt na eisen, aanbevelingen en oordelen over noodzaak.
- Irrealis wereB2 — Begrijp waarom formeel Engels were bij elk onderwerp kan gebruiken voor onwerkelijke voorwaarden, wensen en vergelijkingen.
Werkwoordreferentie
Hoogfrequente werkwoorden
- Werkwoordreferentie: beA1 — Beheers alle kernvormen van be, inclusief congruentie, samentrekkingen, vragen, ontkenning, hulpwerkwoordfuncties en registergevoelig gebruik.
- Werkwoordreferentie: haveA1 — Leer have als bezitswerkwoord, perfect hulpwerkwoord en onderdeel van vaste constructies correct vormen, uitspreken en gebruiken.
- Werkwoordreferentie: doA1 — Beheers do als zelfstandig werkwoord, grammaticaal hulpwerkwoord, nadrukmiddel en vervanger van eerder genoemde handelingen.
- Werkwoordreferentie: sayA1 — Leer de onregelmatige uitspraak, complementen en vaste patronen van say, met helder contrast tussen say en tell.
- Werkwoordreferentie: goA1 — Leer alle vormen en kernpatronen van go, inclusief went, been tegenover gone, bestemmingen en verandering van toestand.
- Werkwoordreferentie: getA2 — Orden de vele betekenissen en constructies van get, inclusief Amerikaans gotten, verandering, causatief gebruik en het get-passief.
- Werkwoordreferentie: makeA1 — Leer de vormen en kernpatronen van make, van vaste collocaties tot make + object + kale infinitief.
- Werkwoordreferentie: knowA1 — Leer hoe know zowel weten als kennen uitdrukt, met de juiste vormen, complementen en statische tijdskeuze.
- Werkwoordreferentie: thinkA2 — Onderscheid meningen, gedachten en overwegingen met think, inclusief de juiste vormen en complementpatronen.
- Werkwoordreferentie: takeA1 — Beheers take als nemen, meenemen en licht werkwoord, met zijn onregelmatige vormen en vaste collocaties.
- Werkwoordreferentie: seeA1 — Leer de vormen en complementen van see bij waarneming, begrip en afspraken, met het juiste aspect.
- Werkwoordreferentie: comeA1 — Leer de vormen, uitspraak en deiktische logica van come, met natuurlijke patronen voor beweging naar een relevant centrum.
- Werkwoordreferentie: wantA1 — Gebruik want correct met zelfstandige naamwoorden, to-infinitives en object-plus-infinitive, en vermijd Nederlandse dat-zininterferentie.
- Werkwoordreferentie: lookA1 — Onderscheid look at als gerichte handeling van look als koppelwerkwoord, en leer de vaste voorzetsel- en partikelpatronen.
- Werkwoordreferentie: useA2 — Beheers use als werkwoord, zijn complementen en uitspraak, en onderscheid het van het zelfstandig naamwoord en van used-to-constructies.
- Werkwoordreferentie: findA2 — Leer find voor aantreffen, ontdekken en beoordelen, met het onregelmatige paradigma en productieve objectcomplementen.
- Werkwoordreferentie: giveA1 — Leer de onregelmatige vormen, dubbel-objectpatronen, to-constructie en scheidbare partikelcombinaties van give.
- Werkwoordreferentie: tellA1 — Beheers told als onregelmatige vorm en leer wanneer tell een ontvanger, inhoudsbijzin of to-infinitive verlangt.
- Werkwoordreferentie: workA1 — Leer de regelmatige vormen en valentie van work, plus het niet-telbare zelfstandig naamwoord en belangrijke partikelbetekenissen.
- Werkwoordreferentie: callA2 — Leer call voor bellen, roepen en noemen, met objectcomplementen en de plaatsing van partikels.
- Werkwoordreferentie: tryA2 — Leer de spelling en valentie van try en onderscheid een doelgerichte poging met try to van een proefmethode met try -ing.
- Werkwoordreferentie: askA1 — Leer de vormen, uitspraak en complementpatronen van ask: een vraag stellen, om iets vragen en iemand verzoeken iets te doen.
- Werkwoordreferentie: needA2 — Leer need als gewoon werkwoord en als beperkt semi-modaal werkwoord, inclusief need to, needn't en needs doing.
- Werkwoordreferentie: feelA2 — Leer feel voor lichamelijke en emotionele toestanden, tastwaarneming en mening, met het juiste complement en aspect.
- Werkwoordreferentie: becomeA2 — Leer become–became–become als koppelwerkwoord voor verandering, met het contrast tussen become, get en passief be.
- Werkwoordreferentie: leaveA2 — Leer leave–left–left voor vertrekken, verlaten en achterlaten, inclusief objectcomplementen en resultatieve betekenissen.
- Werkwoordreferentie: putA2 — Leer put gebruiken voor plaatsen en positioneren, met het onveranderde verleden, het locatieve complement en veelvoorkomende vaste patronen.
- Werkwoordreferentie: meanA2 — Leer mean voor betekenen, bedoelen en van plan zijn, met meant, complementkeuze en het verschil tussen mean to en mean -ing.
- Werkwoordreferentie: keepA2 — Leer keep voor behouden, bewaren, doorgaan en in een toestand houden, met kept en de belangrijkste complementpatronen.
- Werkwoordreferentie: letA1 — Leer let voor toestemming en ruimte geven, met de kale infinitief, let's en be allowed to als passief alternatief.
- Werkwoordreferentie: beginA2 — Leer begin als transitief en intransitief werkwoord, met began, begun, beginning en de keuze tussen een gerund en een to-infinitive.
- Werkwoordreferentie: seemB1 — Leer seem gebruiken als koppelwerkwoord, in raising-constructies en in patronen als it seems that en there seems to be.
- Werkwoordreferentie: helpA1 — Leer de vormen en complementpatronen van help, van help someone (to) do tot help with en can't help doing.
- Werkwoordreferentie: talkA1 — Leer talk correct vervoegen en combineren met to, with en about, en onderscheid talk van speak, say en tell.
- Werkwoordreferentie: turnA2 — Leer turn als werkwoord van draaien, richting en verandering, plus de belangrijkste scheidbare en onscheidbare partikelpatronen.
- Werkwoordreferentie: startA2 — Leer start transitief en onovergankelijk gebruiken, met gerund of infinitief, en onderscheid het nauwkeurig van begin.
- Werkwoordreferentie: showA2 — Leer show–showed–shown voor tonen en laten zien, met het dubbele object, how-bijzinnen en het beperkte deelwoord showed.
- Werkwoordreferentie: hearA1 — Leer hear–heard–heard voor horen, met statische waarneming, bare infinitive en -ing na een object, en hear tegenover listen.
- Werkwoordreferentie: playA2 — Leer regelmatig play voor spelen, sporten, instrumenten, rollen en media, met de juiste lidwoorden en complementen.
- Werkwoordreferentie: runA2 — Leer run–ran–run voor rennen, beheren en functioneren, met klinkerwisseling, medeklinkerverdubbeling en frequente phrasal verbs.
- Werkwoordreferentie: moveA2 — Leer move voor bewegen en verhuizen, met silent-e-spelling, transitieve en intransitieve patronen, en moved tegenover moving.
- Werkwoordreferentie: liveA2 — Leer live voor wonen en leven, met de juiste uitspraak, voorzetsels en keuze tussen simple en progressive.
- Werkwoordreferentie: believeA2 — Leer believe als statisch werkwoord, met that-zinnen, believe in en formele rapporterende passieven.
- Werkwoordreferentie: bringA2 — Leer bring–brought–brought, het perspectiefverschil met take en patronen met één of twee objecten.
- Werkwoordreferentie: happenA2 — Leer happen als intransitief gebeurteniswerkwoord, met happen to, anticiperend it en de juiste tijdsvormen.
- Werkwoordreferentie: writeA2 — Leer write–wrote–written, de stille w, spelling van writing en patronen voor tekst, onderwerp en ontvanger.
- Werkwoordreferentie: sitA1 — Leer sit–sat–sat voor zitten, met natuurlijke plaatsbepalingen, aspectkeuze en veelgebruikte combinaties als sit down en sit through.
- Werkwoordreferentie: standA1 — Leer stand–stood–stood voor staan, met aspect, plaatsbepalingen en de afzonderlijke patronen stand up, stand for en can't stand.
- Werkwoordreferentie: loseA2 — Leer lose–lost–lost voor verliezen en kwijtraken, met de uitspraak /z/, het contrast met loose en patronen voor wedstrijden en bezit.
- Werkwoordreferentie: payA2 — Leer pay–paid–paid voor betalen, met de patronen pay someone, pay a bill, pay for an item en vaste combinaties als pay attention.
- Werkwoordreferentie: meetA1 — Leer meet–met–met voor mensen ontmoeten en afspraken hebben, plus meet requirements en het genuanceerde verschil met meet with.
- Werkwoordreferentie: includeB1 — Leer include gebruiken voor inbegrepen onderdelen, met de juiste valentie, statisch en dynamisch aspect, including en het contrast met contain.
- Werkwoordreferentie: continueB1 — Leer continue vervoegen en combineren met een gerund, to-infinitive, naamwoord en discoursvervolg, met aandacht voor aspect en register.
- Werkwoordreferentie: setA2 — Leer het onveranderlijke set–set–set gebruiken voor plaatsen, instellen en resultaat, plus de belangrijkste partikelpatronen.
- Werkwoordreferentie: learnA1 — Leer learned en learnt, de patronen learn something, learn about en learn from, en het cruciale rolverschil met teach.
- Werkwoordreferentie: changeA2 — Leer change transitief en onovergankelijk gebruiken, met change into, change to, vaste combinaties, uitspraak en aspect.
- Werkwoordreferentie: leadB1 — Leer lead–led–led gebruiken voor leiding, richting en resultaten, met de juiste uitspraak en complementen.
- Werkwoordreferentie: understandA1 — Leer understand–understood–understood gebruiken voor begrip, interpretatie en ingebedde vragen.
- Werkwoordreferentie: watchA1 — Leer watch gebruiken voor aandachtig en langdurig kijken, met directe objecten, perceptiepatronen en het contrast met see en look.
- Werkwoordreferentie: followA2 — Leer follow correct gebruiken voor beweging, instructies, begrip en volgorde, inclusief followed by en following.
- Werkwoordreferentie: stopA2 — Leer stop correct spellen en onderscheid stop doing van stop to do, met transitieve, resultatieve en vaste patronen.
- Werkwoordreferentie: createB1 — Leer create–created–creating correct spellen en gebruiken, en kies bewust tussen create en het alledaagsere make.
- Werkwoordreferentie: speakA1 — Leer speak–spoke–spoken, gebruik taalnamen zonder voorzetsel en kies nauwkeurig tussen speak to, speak with en talk.
- Werkwoordreferentie: readA1 — Leer waarom read in heden en verleden hetzelfde wordt gespeld maar anders klinkt, en gebruik de belangrijkste leespatronen natuurlijk.
- Werkwoordreferentie: spendA2 — Leer spend–spent–spent en onderscheid geld of tijd besteden aan iets, tijd doorbrengen met een activiteit en ergens verblijven.
- Werkwoordreferentie: growA2 — Leer grow–grew–grown gebruiken voor groeien en kweken, voor geleidelijke toestanden en in het onmisbare grow up.
- Werkwoordreferentie: openA1 — Leer open vervoegen en gebruiken als werkwoord en bijvoeglijk naamwoord, zonder onterechte consonantverdubbeling.
- Werkwoordreferentie: walkA1 — Leer walk uitspreken, regelmatig vervoegen en combineren met richtingsvoorzetsels zonder Nederlandse interferentie.
- Werkwoordreferentie: winA2 — Leer win, won en winning correct gebruiken en kies het juiste object in het contrast met beat.
- Werkwoordreferentie: teachA1 — Leer teach–taught vervoegen en gebruik het dubbel object, de to-infinitief en het contrast met learn correct.
- Werkwoordreferentie: chooseA2 — Leer choose–chose–chosen vervoegen en kies correct tussen choose between, choose from en het zelfstandig naamwoord choice.
- Werkwoordreferentie: buildA2 — Leer build–built–built, natuurlijke objectpatronen, het veelgebruikte passief en building als telbaar zelfstandig naamwoord.
- Werkwoordreferentie: sendA1 — Leer send–sent–sent, de twee objectpatronen voor boodschap en ontvanger, en het verschil tussen send for en send away.
- Werkwoordreferentie: buyA1 — Leer buy–bought–bought en gebruik de juiste patronen voor ontvanger, verkoper, winkel en prijs.
- Werkwoordreferentie: sellA2 — Leer sell–sold–sold, objectpatronen met koper en prijs, en de actieve middelconstructie in products that sell well.
- Werkwoordreferentie: wearA2 — Leer wear–wore–worn, kies simple of progressive voor gewoonte en huidig uiterlijk, en onderscheid wear van carry.
- Werkwoordreferentie: holdA2 — Leer hold voor vasthouden, bevatten, organiseren en voortduren, met held, vaste combinaties en de belangrijkste partikelwerkwoorden.
Woordvorming
Affixen
- Negatieve voorvoegselsB1 — Kies un-, in-/im-/il-/ir-, dis- en non- op basis van het bestaande woordpatroon, het soort tegenstelling en de vorm van de basis.
- Voorvoegsels voor herhaling en omkeringB1 — Leer hoe re-, de-, dis- en un- herhaling, verwijdering en het ongedaan maken van een handeling uitdrukken.
- Suffixen voor zelfstandige naamwoordenA2 — Leer hoe -er, -ness, -ment, -tion en -ity personen, toestanden en processen tot zelfstandige naamwoorden maken.
- Suffixen voor bijvoeglijke naamwoordenA2 — Leer hoe -ful, -less, -ous, -able, -ive en -al Engelse bijvoeglijke naamwoorden vormen en begrenzen.
- Bijwoordvorming met -lyA1 — Leer Engelse bijwoorden op -ly vormen, spellen en onderscheiden van adjectieven en bijwoorden zonder uitgang.
- Werkwoordvormende suffixenB2 — Leer hoe -ize/-ise, -ify en -en veranderingswerkwoorden vormen en hoe Britse en Amerikaanse spelling verschillen.
- Conversie zonder affixB1 — Leer hoe Engelse woorden zonder zichtbare uitgang van woordsoort veranderen, van ‘an email’ naar ‘to email’ en van ‘to reply’ naar ‘a reply’.
- TerugvormingC1 — Ontdek hoe Engelse sprekers woorden als ‘edit’, ‘babysit’ en ‘liaise’ maakten door een vermeend achtervoegsel van een ouder woord af te trekken.
- Clippings en blendsB2 — Leer het verschil tussen verkortingen als ‘ad’ en ‘lab’ en versmeltingswoorden als ‘brunch’ en ‘smog’, met aandacht voor register.
- Acroniemen en initiaalwoordenB2 — Leer hoe uitspraak het verschil tussen ‘NASA’ en ‘FBI’ én de keuze tussen ‘a’ en ‘an’ bepaalt, en hoe je meervouden correct schrijft.
- Samenstellingen en klemtoonB1 — Leer hoe Engelse samenstellingen nieuwe naamwoorden, adjectieven en werkwoorden vormen en hoe kernwoord, betekenis en klemtoon samenhangen.
- Affixen en klemtoonverschuivingC1 — Leer welke Engelse affixen de hoofdklemtoon verplaatsen en welke de klemtoon van de basis doorgaans intact laten.
- Productiviteit en geblokkeerde vormenC1 — Ontdek waarom een Engelse afleiding volgens de regels mogelijk kan zijn, maar toch ongebruikelijk of door een bestaand woord geblokkeerd wordt.
- Nieuwe woorden en digitale woordvormingC2 — Analyseer hoe digitaal Engels nieuwe woorden vormt via conversie, samenstelling, blending en affixatie, en hoe hun status door gebruik verandert.
Zelfstandige naamwoorden
Basis
- Telbare en ontelbare zelfstandige naamwoordenA2 — Zie hoe telbaarheid de keuze voor enkelvoud, meervoud, a, many en much bepaalt en met de betekenis kan veranderen.
- Enkelvoud en regelmatig meervoudA1 — Leer hoe Engelse telbare zelfstandige naamwoorden enkelvoud en regelmatig meervoud vormen, inclusief de drie uitspraken van -s.
- Onregelmatige meervoudenA2 — Een overzicht van Engelse vocaalwisselingen, -en-vormen, nulmeervouden en concurrerende leenwoordmeervouden.
- Collectieve zelfstandige naamwoordenB2 — Leer hoe woorden als team, government en family enkelvoudige of meervoudige congruentie krijgen in Brits en Amerikaans Engels.
- Eigennamen en soortnamenB1 — Leer hoe hoofdletters en lidwoorden Engelse eigennamen onderscheiden van soortnamen bij personen, instellingen en plaatsen.
- Engelse samenstellingenB1 — Leer hoe Engelse nominale samenstellingen hun kern, meervoud, spelling en kenmerkende klemtoon krijgen.
- De genitief op 'sB1 — Leer wanneer Engels 's gebruikt, wanneer alleen een apostrof nodig is en wanneer een of-constructie natuurlijker klinkt.
- De dubbele genitiefC1 — Ontdek waarom a friend of mine en a portrait of John's dubbele markering gebruiken en welk betekeniscontrast daarmee ontstaat.
- Zelfstandige naamwoorden als bepalingB1 — Leer hoe Engelse zelfstandige naamwoorden vóór een kernwoord classificeren, waarom ze meestal enkelvoud blijven en hoe je lange stapelingen ontleedt.
Getal en congruentie
- Congruentie met zelfstandige naamwoordenB1 — Leer hoe het getal van een Engels zelfstandig naamwoord de werkwoordsvorm, aanwijzer en latere verwijzingen bepaalt.
- Schaarwoorden en pair ofA2 — Leer waarom scissors, trousers en glasses meervoud zijn en hoe a pair of bepaalt wat enkelvoud en meervoud wordt.
- Hoeveelheden bij ontelbare woordenA2 — Leer ontelbare woorden tellen met passende eenheden als piece, item, loaf en slice.
- Maatuitdrukkingen als enkelvoudB2 — Zie waarom afstanden, bedragen en tijdsduren ondanks hun meervoudsvorm vaak een enkelvoudig werkwoord krijgen.
- Generiek verwijzen met zelfstandige naamwoordenB2 — Kies tussen Dogs, the tiger en a whale wanneer je een hele soort of klasse bedoelt.
- Abstracte zelfstandige naamwoordenB2 — Leer hoe nulartikel, the en a/an een abstract begrip als concept, bekende invulling of afzonderlijk geval presenteren.
- Nominalisaties van werkwoordenC1 — Leer hoe Engelse nominalisaties processen verdichten, argumenten herschikken en handelende personen zichtbaar of juist onzichtbaar maken.
- Bijstelling bij zelfstandige naamwoordenC1 — Leer hoe Engelse bijstellingen met of zonder komma iemand identificeren of juist extra informatie toevoegen.
- Aanspreekvormen als naamwoordgroepB1 — Leer hoe Engelse aanspreekvormen met komma's worden afgezonderd en hoe hun positie toon en nadruk verandert.
- Ellips binnen naamwoordgroepenC1 — Leer wanneer Engels one, ones, bezittelijke vormen of zelfstandig gebruikte adjectieven inzet om naamwoordherhaling te vermijden.
- Klassieke en vreemde meervoudenC2 — Leer hoe Engelse leenwoorden wisselen tussen klassieke en regelmatige meervouden en wanneer vormkeuze ook betekenis of register markeert.
- Titels, namen en naamvolgordeB2 — Leer hoe Engelse aanspreektitels met namen combineren en hoe je in brieven, gesprekken en internationale contexten de juiste vorm kiest.
Zinsbouw
Basisvolgorde
- Basisvolgorde onderwerp werkwoord objectA1 — Bouw Engelse hoofdzinnen met de vaste basisvolgorde onderwerp–werkwoord–object en vermijd Nederlandse V2-inversie.
- Plaats van bijwoordelijke bepalingenA2 — Plaats Engelse bepalingen van wijze, plaats, tijd en frequentie op hun natuurlijke positie zonder Nederlandse inversie over te nemen.
- Volgorde van direct en indirect objectB1 — Kies tussen het dubbele-objectpatroon en een to-bepaling op basis van werkwoord, informatieverdeling en lengte.
- Subject- en objectcomplementenB1 — Herken complementen die een onderwerp of object identificeren, beschrijven of als resultaat een nieuwe toestand geven.
- Existentieel thereA2 — Gebruik presentatief there om nieuwe personen, zaken en gebeurtenissen natuurlijk in het gesprek te introduceren.
- Dummy it en extrapositieA2 — Gebruik dummy it bij weer, tijd en afstand en stel zware onderwerpszinnen uit tot een natuurlijke eindpositie.
- Gebiedende zinnenA1 — Vorm Engelse bevelen, instructies, verboden en voorstellen met de basisvorm, don't, do en let's.
- Nevenschikking van hoofdzinnenA2 — Verbind gelijkwaardige hoofdzinnen met and, but, or en so en gebruik ellips en komma's doelgericht.
- Zinsfragmenten in gesprek en schriftB2 — Herken wanneer context een Engels zinsfragment natuurlijk maakt en wanneer formeel schrijven een volledige hoofdzin vereist.
Informatiestructuur
- Topicalisatie en frontingB2 — Plaats objecten en bepalingen bewust vooraan voor topic of contrast, zonder de Nederlandse V2-inversie over te nemen.
- It-clefts voor zinsfocusB2 — Gebruik it-clefts om één persoon, zaak, tijd of plaats als contrastieve focus te identificeren terwijl de rest bekend blijft.
- Wh-clefts en pseudo-cleftsB2 — Gebruik what-deelzinnen en omgekeerde pseudo-clefts om een open rol te benoemen en daarna de beslissende invulling te geven.
- Passief als informatierestructuurB2 — Gebruik de passive voice om een bekend onderwerp vast te houden en een nieuwe, onbekende of onbelangrijke actor later te plaatsen of weg te laten.
- EindgewichtB2 — Plaats lange en complexe zinsdelen waar mogelijk later, zodat de Engelse hoofdstructuur vroeg herkenbaar blijft.
- EindfocusB2 — Plaats nieuwe of contrasterende informatie waar Engelse luisteraars die verwachten: doorgaans aan het einde van de zin.
- Inversie na plaatsbepalingenC1 — Herken en gebruik presentatieve werkwoord-onderwerpvolgorde na here, there en vooropgeplaatste plaats- of richtingsbepalingen.
- So en neither met inversieB1 — Druk positieve en negatieve overeenkomst uit met so, neither of nor plus het passende hulpwerkwoord en onderwerp.
- Ellips in nevenschikkingC1 — Laat herhaald materiaal in gecoördineerde zinsdelen weg zonder de parallelle syntactische structuur onduidelijk te maken.
Werkwoordgroep en argumenten
- Interne volgorde van de werkwoordgroepB1 — Bouw Engelse werkwoordgroepen in een vaste hulpwerkwoordvolgorde en plaats bijwoorden, objecten en partikels op hun natuurlijke positie.
- Prepositionele objectenB1 — Leer hoe Engelse werkwoorden hun voorzetsel kiezen en waarom dat voorzetsel in vragen en passieve zinnen vaak achteraan blijft staan.
- Complex-transitieve patronenB2 — Begrijp Engelse patronen waarin een direct object samen met een adjectief, naamwoord of infinitief een kleine predicatie vormt.
- Resultatieve constructiesC1 — Analyseer Engelse resultatieven waarin een handeling een expliciete eindtoestand veroorzaakt, van wipe clean tot hammer flat.
- Constructies met lichte werkwoordenB2 — Kies het idiomatische lichte werkwoord in combinaties als take a break, make a decision en have a look.
- Verwante objectenC1 — Herken cognate objects zoals dream a dream en die a hero's death, en gebruik hun retorische mogelijkheden zonder ze te overgeneraliseren.
- Unaccusatieve werkwoordenC2 — Ontdek waarom onderwerpen van werkwoorden als arrive, fall en appear geen handelende agenten zijn en daardoor bijzondere Engelse patronen toelaten.
- Raising en controlC1 — Leer waarom onderwerpen bij seem uit de infinitief worden geïnterpreteerd, terwijl try en andere control-werkwoorden zelf een handelende deelnemer selecteren.