Lose betekent onder meer verliezen, kwijtraken en niet langer hebben. Het is meestal transitief: je verliest iets of iemand. Bij een wedstrijd kan het object wegblijven (we lost), maar de tegenstander staat na to, niet na het Nederlandse van: we lost to Canada.
De vijf vormslots en uitspraak
| Slot | Vorm | Uitspraak (algemeen Amerikaans) | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| base form | lose | /luːz/ | might lose |
| 3e persoon enkelvoud | loses | /ˈluːzɪz/ | she loses |
| past | lost | /lɔst/ | they lost |
| past participle | lost | /lɔst/ | have lost |
| present participle / gerund | losing | /ˈluːzɪŋ/ | is losing |
De onregelmatige reeks is lose–lost–lost. Bij sprekers met de Amerikaanse cot–caught merger kan de klinker in lost dichter bij /ɑ/ liggen; de vorm blijft één lettergreep. In losing valt de geschreven slot-e weg. Loses heeft twee lettergrepen, omdat na de sisklank /z/ de uitgang /ɪz/ verschijnt.
I lose my glasses at least once a week.
Ik ben mijn bril minstens één keer per week kwijt.
We lost the game in the final minute.
We verloren de wedstrijd in de laatste minuut.
I've lost my apartment key.
Ik ben mijn huissleutel kwijt.
Why is the company losing money?
Waarom lijdt het bedrijf verlies?
She didn't lose the receipt after all.
Ze bleek de bon toch niet kwijt te zijn.
Voor vragen en ontkenningen in present en past gebruikt lose do/does/did. Na did komt de base form: Did you lose it?, niet Did you lost it? Perfecte vormen krijgen have/has/had + lost.
Lose en loose: uitspraak bepaalt de woordsoort
Lose /luːz/ is het werkwoord “verliezen”. De geschreven s klinkt als de stemhebbende /z/. Loose /luːs/ is meestal het adjectief “los, niet strak”. De extra o verandert niet de klinkerlengte, maar de slotklank is stemloos /s/. Het werkwoord bij loose is doorgaans loosen /ˈluːsən/: losser maken.
| Woord | Functie | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|---|
| lose /luːz/ | werkwoord | verliezen | lose a key |
| loss /lɔs/; meervoud losses /ˈlɔsɪz/ | zelfstandig naamwoord | verlies | a financial loss |
| loose /luːs/ | meestal adjectief | los | a loose button |
| loosen /ˈluːsən/ | werkwoord | losser maken | loosen a screw |
Be careful not to lose that loose screw.
Pas op dat je dat losse schroefje niet kwijtraakt.
This handle is loose, so I'll tighten it before we leave.
Deze hendel zit los, dus ik draai hem vast voordat we vertrekken.
Loss is het bijbehorende telbare of ontelbare zelfstandig naamwoord: the loss of a key, two losses, financial loss. Veel Amerikaanse sprekers met de cot–caught merger gebruiken /lɑs/ en /ˈlɑsɪz/; de woordklasse blijft hetzelfde.
Bezit, contact of controle verliezen
Met een concreet object betekent lose dat je niet meer weet waar iets is of het niet meer bezit. Engels gebruikt hetzelfde werkwoord ook voor abstracte zaken: lose time, money, patience, confidence, control. De context bepaalt of Nederlands verliezen, kwijtraken, verspillen of een andere natuurlijke formulering kiest.
I think I lost my wallet on the train.
Ik denk dat ik mijn portemonnee in de trein ben kwijtgeraakt.
We're losing valuable time by arguing about this.
We verliezen kostbare tijd door hierover te discussiëren.
He nearly lost control of the car on the wet road.
Hij verloor bijna de macht over het stuur op de natte weg.
Lose someone kan betekenen dat je iemand in een menigte niet meer kunt volgen, dat je diens steun kwijtraakt of dat die persoon overlijdt. Bij die laatste lezing is de uitdrukking gevoelig en vaak eufemistisch. De context moet duidelijk maken welke relatie verloren gaat.
We lost sight of the kids for a moment in the crowd.
We verloren de kinderen even uit het oog in de menigte.
She lost her father when she was twelve.
Ze verloor haar vader toen ze twaalf was.
De resultatieve toestand is be lost: kwijt, verdwaald, verloren. Vergelijk I've lost the file (mijn handeling of ervaring heeft dit huidige resultaat) met The file is lost (de toestand van het bestand staat centraal).
The original recording is probably lost forever.
De oorspronkelijke opname is waarschijnlijk voorgoed verloren.
Wedstrijden: lose, lose to en lose by
Bij sport en competitie kan lose transitief of absoluut worden gebruikt. Lose the game/match/election noemt de verloren competitie als object. Zonder object is we lost voldoende. De tegenstander krijgt to; het verschil in score krijgt by.
The Lions lost to Chicago by three points.
De Lions verloren met drie punten verschil van Chicago.
Did your team win, or did they lose?
Heeft je team gewonnen of verloren?
Nederlands van een team verliezen lokt de fout lose from a team uit. Engels conceptualiseert de winnaar als het doel waaraan de nederlaag wordt toegekend: lose to an opponent. Lose by two goals geeft de marge; lose 2–0 geeft de score zonder voorzetsel.
We lost 2–0, but we played much better in the second half.
We verloren met 2–0, maar we speelden in de tweede helft veel beter.
Aspect: gebeurtenis, proces en huidig resultaat
Lose is dynamisch. De past simple noemt een afgeronde gebeurtenis in een afgesloten tijdvak. De present perfect presenteert het huidige gevolg zonder afgesloten verleden tijd. De progressive toont een verliesproces dat bezig of tijdelijk is.
I lost my badge yesterday, so security issued a new one.
Ik verloor gisteren mijn pasje, dus de beveiliging gaf me een nieuw exemplaar.
I've lost my badge, so I can't enter the building.
Ik ben mijn pasje kwijt, dus ik kan het gebouw niet in.
The candidate is losing support among younger voters.
De kandidaat verliest steun onder jongere kiezers.
In I'm losing my patience wordt de grens geleidelijk bereikt. I've lost patience presenteert het resultaat: het geduld is nu op. Een tijdsbepaling als yesterday vraagt in standaardengels gewoonlijk om past simple. Zie past simple tegenover present perfect.
Vaste combinaties, partikels en register
Lose track of is niet meer weten waar, wanneer of hoeveel; lose touch with is het contact verliezen; lose sight of kan letterlijk of figuurlijk zijn. Lose out (on something) betekent een voordeel mislopen (informal). Lose oneself in is een vaste wederkerende combinatie voor volledig opgaan in iets; gewoon lose is niet wederkerend.
I lost track of time and missed the last bus.
Ik vergat de tijd en miste de laatste bus.
Small businesses could lose out on funding under the new rules.
Kleine bedrijven zouden door de nieuwe regels subsidie kunnen mislopen. (informal)
She lost herself in the music and forgot about the crowd.
Ze ging helemaal op in de muziek en vergat het publiek.
Get lost! betekent letterlijk “verdwaal”, maar is als bevel een botte afwijzing (informal, potentially offensive). Gebruik voor een neutrale routebeschrijving get lost alleen in de betekenis “verdwalen”: We got lost downtown.
Veelgemaakte fouten
1. Lose en loose verwisselen
❌ Don't loose your boarding pass.
Onjuist: loose is hier niet het werkwoord verliezen.
✅ Don't lose your boarding pass.
Raak je instapkaart niet kwijt.
2. Een regelmatige verleden vorm maken
❌ We losed the first two games.
Onjuist: de past van lose is lost.
✅ We lost the first two games.
We verloren de eerste twee wedstrijden.
3. From gebruiken voor de tegenstander
❌ They lost from the defending champions.
Onjuist: de tegenstander staat na to.
✅ They lost to the defending champions.
Ze verloren van de titelverdediger.
4. Lose gebruiken voor gemist vervoer
❌ I lost the train because the bus was late.
Onjuist voor vervoer dat vertrok voordat je er was: gebruik miss.
✅ I missed the train because the bus was late.
Ik miste de trein doordat de bus te laat was.
5. Na did opnieuw lost gebruiken
❌ Where did you lost your phone?
Onjuist: did draagt de verleden tijd; daarna volgt lose.
✅ Where did you lose your phone?
Waar ben je je telefoon kwijtgeraakt?
Kernpunten
- De slots zijn lose, loses, lost, lost, losing.
- Lose eindigt op /z/; loose eindigt op /s/ en is meestal het adjectief “los”.
- Je lose something, maar je lose to an opponent en lose by a margin.
- Past simple situeert het verlies in afgesloten tijd; present perfect benadrukt een huidig resultaat.
- Leer vaste combinaties als lose track of, lose touch with en lose out on als volledige patronen.
Related Topics
- Onregelmatige past simpleA2 — Leer veelvoorkomende onregelmatige past-vormen herkennen en onthouden via vormfamilies en natuurlijke context.
- Resultaat dat nu relevant isA2 — Leer hoe de present perfect een voltooide gebeurtenis koppelt aan een zichtbaar, praktisch of gesprekstechnisch relevant resultaat in het heden.
- Past simple of present perfectA2 — Kies de past simple voor een afgesloten verleden tijd en de present perfect voor een gebeurtenis met een open verbinding naar nu.
- Overzicht van partikelwerkwoordenA2 — Leer hoe Engelse werkwoorden met partikels één betekeniseenheid vormen en hoe betekenis, klemtoon en zinsbouw elkaar aanvullen.
- By en with bij middel en handelende persoonB1 — Leer hoe by een actor, methode of vervoerswijze markeert en hoe with een instrument of begeleider introduceert.
- Werkwoordreferentie: findA2 — Leer find voor aantreffen, ontdekken en beoordelen, met het onregelmatige paradigma en productieve objectcomplementen.