Win betekent winnen, maar het Engelse objectpatroon is smaller dan het Nederlandse gevoel soms doet vermoeden. Gebruik win met a game, prize, election of argument als object; gebruik beat met a person, team of opponent als object. Daarnaast verandert de klinker in de verleden tijd — win–won–won — en verdubbelt de n in winning.
De vijf vormslots: win–won–won
| Slot | Vorm | Uitspraak (algemeen Amerikaans) |
|---|---|---|
| base / kale infinitief | win | /wɪn/ |
| 3e persoon enkelvoud | wins | /wɪnz/ |
| past | won | /wʌn/ |
| past participle | won | /wʌn/ |
| present participle / gerund | winning | /ˈwɪnɪŋ/ |
De verleden vorm won rijmt niet op on in algemeen Amerikaans Engels, maar klinkt hetzelfde als het getal one. Past en past participle zijn allebei won: we won yesterday, maar we have won before. Winned bestaat niet als standaardvorm. De algemene patronen staan op de pagina over onregelmatige verleden vormen.
Win is een beklemtoonde eenlettergrepige stam met een korte klinker en één slotmedeklinker. Daarom verdubbelt de n vóór -ing: winning. Voor wins is geen verdubbeling nodig, omdat de uitgang met een medeklinker begint.
Our team wins most of its home games.
Ons team wint de meeste thuiswedstrijden.
Priya won the scholarship last year.
Priya kreeg vorig jaar de studiebeurs toegewezen.
No one from our school has ever won this award.
Niemand van onze school heeft deze prijs ooit gewonnen.
Which side is winning?
Wie staat er voor?
Kernparadigma in tijd, aspect en wijs
De onregelmatigheid zit alleen in won. In vragen, ontkenningen, toekomstige vormen en conditionals volgt na het hulpwerkwoord de base win.
| Constructie | Bevestigend | Ontkennend | Vraag |
|---|---|---|---|
| present simple | she wins | she does not win | does she win? |
| present continuous | she is winning | she is not winning | is she winning? |
| past simple | she won | she did not win | did she win? |
| past continuous | she was winning | she was not winning | was she winning? |
| present perfect | she has won | she has not won | has she won? |
| past perfect | she had won | she had not won | had she won? |
| future | she will win | she will not win | will she win? |
| conditional | she would win | she would not win | would she win? |
| imperative | Win this for us. | Do not win by cheating. | — |
| mandative subjunctive (formal) | It is vital that she win. | It is vital that she not win. | — |
We didn't win, but we played much better this time.
We wonnen niet, maar we speelden deze keer veel beter.
Did Elena win the final?
Heeft Elena de finale gewonnen?
They've won three games in a row.
Ze hebben drie wedstrijden op rij gewonnen.
De simple past plaatst een overwinning in een afgesloten verleden. Het present perfect telt overwinningen tot nu toe of presenteert een actueel resultaat. De progressive is winning beschrijft een voorlopige voorsprong; hij garandeert nog geen eindoverwinning.
We were winning 2–0 at halftime, but the match ended in a draw.
Bij rust stonden we met 2–0 voor, maar de wedstrijd eindigde in een gelijkspel.
Wat kun je win als object geven?
Het directe object van win is doorgaans datgene wat je door succes verkrijgt of beslist: een wedstrijd, competitie, prijs, zetel, contract, stemming, verkiezing, rechtszaak of ruzie. Zonder object betekent win eenvoudig dat je de winnaar bent.
Someone from Ohio won the jackpot.
Iemand uit Ohio won de jackpot.
The mayor won a second term by a narrow margin.
De burgemeester werd met een kleine marge herkozen.
It doesn't matter how we win as long as we play fairly.
Het maakt niet uit hoe we winnen, zolang we eerlijk spelen.
Met een persoon als lijdend voorwerp klinkt win meestal fout als je bedoelt dat je die persoon verslaat. Een persoon kan wel iets zijn wat je voor je wint in win someone's trust/support: dan is vertrouwen of steun het verworven resultaat. Win someone over is een partikelwerkwoord met de betekenis “iemand overtuigen”; de verdere betekenissen daarvan vallen buiten deze pagina.
Her calm response won everyone's trust.
Met haar kalme reactie won ze ieders vertrouwen.
Win tegenover beat
Win richt de aandacht op de behaalde uitkomst. Beat richt de aandacht op de verslagen tegenstander. Daardoor kunnen beide werkwoorden dezelfde gebeurtenis beschrijven met een ander object.
| Uitkomst met win | Tegenstander met beat |
|---|---|
| win the match | beat the other team |
| win the election | beat the incumbent |
| win the race | beat the favorite |
| win the case | beat the prosecution |
Chicago beat Boston and won the series.
Chicago versloeg Boston en won de serie.
I finally beat my brother at chess.
Ik heb mijn broer eindelijk verslagen bij het schaken.
Win against an opponent is grammaticaal mogelijk, vooral wanneer de tegenstander in een against-groep staat, maar beat the opponent is compacter en vaak idiomatischer. Beat a record betekent een bestaand record overtreffen; set a record betekent een nieuw record vestigen. Je zegt normaal niet win a record.
Voorzetsels en scorepatronen
Win by noemt het verschil of de methode: win by two points, win by working together. Win with noemt een middel of eigenschap. Win at kan de activiteit noemen waarin iemand geregeld succesvol is, vooral win at chess/life. Een score kan rechtstreeks volgen: win 3–1.
Our candidate won by just four votes.
Onze kandidaat won met een verschil van slechts vier stemmen.
They won 3–1 despite missing their best player.
Ze wonnen met 3–1, hoewel hun beste speler ontbrak.
You won't win every argument by speaking louder.
Je wint niet elke discussie door harder te praten.
Win money is natuurlijk wanneer het geld een prijs, weddenschap of gokopbrengst is. Voor geld uit werk gebruik je earn: earn a salary, niet win a salary. Dat onderscheid volgt niet rechtstreeks uit Nederlands verdienen/winnen, maar uit de bron van het geld.
She won fifty dollars in the office raffle.
Ze won vijftig dollar bij de loterij op kantoor.
She earns fifty dollars an hour as a consultant.
Als consultant verdient ze vijftig dollar per uur.
Zelfstandig naamwoord en afleidingen
Het zelfstandig naamwoord voor een overwinning is win of victory. Win is vooral gewoon in alledaagse resultaat- en sporttaal; victory klinkt vaak nadrukkelijker of formeler, maar komt ook in neutrale sportverslaggeving voor. De persoon is een winner; door dezelfde spellingregel verschijnt ook daar nn. Winning kan adjectivisch zijn in the winning goal, “het winnende doelpunt”.
That was our first win of the season.
Dat was onze eerste overwinning van het seizoen.
A winning smile betekent figuurlijk een aantrekkelijke, innemende glimlach. Win-win noemt een situatie waarin alle partijen voordeel hebben en is gangbaar in zakelijke en alledaagse taal (informal/neutral).
Veelgemaakte fouten
1. Een regelmatige verleden vorm maken
❌ Our team winned the tournament.
Onjuist: win is onregelmatig; past en past participle zijn won.
✅ Our team won the tournament.
Ons team won het toernooi.
2. De n in winning niet verdubbelen
❌ Who is wining the election?
Onjuist: de slot-n verdubbelt vóór -ing.
✅ Who is winning the election?
Wie staat voor bij de verkiezingen?
3. Een tegenstander als object van win gebruiken
❌ We won the strongest team in the league.
Onjuist: een verslagen tegenstander is het object van beat.
✅ We beat the strongest team in the league.
We versloegen het sterkste team in de competitie.
4. Won na did zetten
❌ Did your candidate won?
Onjuist: did draagt de verleden tijd, dus daarna volgt win.
✅ Did your candidate win?
Heeft jouw kandidaat gewonnen?
5. Won als infinitief gebruiken
❌ They could won the next game if they defended better.
Onjuist: direct na could staat de base win.
✅ They could win the next game if they defend better.
Ze kunnen de volgende wedstrijd winnen als ze beter verdedigen.
In They could have won staat daarentegen terecht won, omdat na have het past participle nodig is. Direct na could staat de base win.
Kernpunten
- De kernvormen zijn win, wins, won, won, winning; won klinkt als one.
- Verdubbel de n in winning en winner, maar niet in wins.
- Gebruik win voor een wedstrijd, prijs of verkiezing, maar beat voor een persoon, team of tegenstander.
- Is winning betekent “staat voor”; de einduitslag ligt nog niet vast.
- Gebruik won na have, maar win na did en modale hulpwerkwoorden.
Related Topics
- Onregelmatige past simpleA2 — Leer veelvoorkomende onregelmatige past-vormen herkennen en onthouden via vormfamilies en natuurlijke context.
- Vorm van de present perfectA2 — Leer de present perfect bouwen met have of has en het onveranderlijke past participle, inclusief ontkenningen, vragen en onregelmatige vormen.
- Vorm van de present simpleA1 — Leer hoe je de present simple vormt, met de derde persoon op -s en de onregelmatige vormen van be en have.
- Past simple of present perfectA2 — Kies de past simple voor een afgesloten verleden tijd en de present perfect voor een gebeurtenis met een open verbinding naar nu.
- Suffixen voor zelfstandige naamwoordenA2 — Leer hoe -er, -ness, -ment, -tion en -ity personen, toestanden en processen tot zelfstandige naamwoorden maken.