Werkwoordreferentie: teach

Teach betekent onderwijzen, lesgeven of iemand iets leren. Dat laatste Nederlandse patroon veroorzaakt de belangrijkste fout: Nederlands leren kan zowel kennis geven als kennis verwerven betekenen, maar standaard-Engels verdeelt die rollen over teach en learn. Wie de kennis overdraagt teaches; wie de kennis opdoet learns.

De vijf vormslots: teach–taught–taught

SlotVormUitspraak (algemeen Amerikaans)
base / kale infinitiefteach/tiːtʃ/
3e persoon enkelvoudteaches/ˈtiːtʃɪz/
pasttaught/tɔt/
past participletaught/tɔt/
present participle / gerundteaching/ˈtiːtʃɪŋ/

In teaches volgt na /tʃ/ een extra lettergreep /ɪz/. Taught heeft niet alleen een andere spelling, maar ook een andere klinker en geen /tʃ/: /tɔt/. Bij veel Noord-Amerikaanse sprekers met de cot–caught merger klinkt die klinker als /ɑ/ (regional: North America). Past en past participle zijn beide taught; teached is geen standaardvorm.

Mr. Reed teaches math at the local high school.

Meneer Reed geeft wiskunde op de plaatselijke middelbare school.

My grandmother taught me how to sew.

Mijn oma heeft me leren naaien.

Have you ever taught an online class?

Heb je ooit online lesgegeven?

What are they teaching the children this week?

Wat leren ze de kinderen deze week?

💡
Sla teach–taught–taught als klankreeks op. Alleen naar de spelling kijken helpt weinig: /tiːtʃ/ verandert in /tɔt/.

Kernparadigma in tijd, aspect en wijs

De onregelmatige vorm verschijnt alleen in de simple past en als past participle. Na do/does/did, will, would en andere modale hulpwerkwoorden staat teach.

ConstructieBevestigendOntkennendVraag
present simpleshe teachesshe does not teachdoes she teach?
present continuousshe is teachingshe is not teachingis she teaching?
past simpleshe taughtshe did not teachdid she teach?
past continuousshe was teachingshe was not teachingwas she teaching?
present perfectshe has taughtshe has not taughthas she taught?
past perfectshe had taughtshe had not taughthad she taught?
futureshe will teachshe will not teachwill she teach?
conditionalshe would teachshe would not teachwould she teach?
imperativeTeach them the basics.Do not teach them that shortcut.
mandative subjunctive (formal)They recommend that she teach.They recommend that she not teach.

She doesn't teach on Fridays.

Ze geeft op vrijdag geen les.

Did your father teach you to drive?

Heeft je vader je leren autorijden?

I've taught this course six times.

Ik heb deze cursus zes keer gegeven.

De present simple noemt beroep, rooster of gewoonte. De progressive benadrukt een tijdelijke lesperiode of een les die gaande is. Het present perfect telt ervaring tot nu toe. I've been teaching here for ten years benadrukt juist de voortdurende activiteit en duur.

I'm teaching two evening classes this semester.

Dit semester geef ik twee avondcursussen.

Wie leert wat? Het dubbele object

Teach kan twee objecten krijgen: eerst de ontvanger en daarna de leerinhoud. In She taught me English is me degene die leert en English datgene wat wordt onderwezen. Het alternatieve patroon zet de leerinhoud eerst en markeert de ontvanger met to: She taught English to me. De bredere woordvolgorderegels staan bij werkwoorden met twee objecten.

PatroonVoorbeeldFocus
teach + persoon + inhoudteach children musicgewone, compacte overdracht
teach + inhoud + to + persoonteach music to childreninhoud eerst; ontvanger kan langer zijn
teach + inhoudteach musicontvanger blijft ongenoemd
teach + persoonteach beginnersinhoud blijft ongenoemd

A volunteer teaches the residents basic computer skills.

Een vrijwilliger leert de bewoners elementaire computervaardigheden.

The program teaches basic computer skills to older adults.

Het programma leert oudere volwassenen elementaire computervaardigheden.

Who teaches your chemistry class?

Wie geeft jullie scheikunde?

Met korte voornaamwoorden is teach it to me veel natuurlijker dan teach me it. Het dubbele-objectpatroon houdt vooral van een korte ontvanger plus een inhoudelijk zelfstandig naamwoord: teach me Spanish, teach us the rules.

💡
Lees de volgorde als een overdracht: in teach someone something gaat de kennis something naar de ontvanger someone.

Een vaardigheid of handeling aanleren

Voor een handeling gebruikt Engels teach + persoon + to-infinitive: teach a child to read. Met een vraagwoord is teach someone how to do something vaak natuurlijker wanneer methode of stappen centraal staan. Beide patronen kunnen bij praktische vaardigheden dicht bij elkaar liggen.

Could you teach me to use this camera?

Kun je me leren deze camera te gebruiken?

The nurse taught us how to change the bandage safely.

De verpleegkundige leerde ons hoe we het verband veilig konden verwisselen.

This job has taught me to ask better questions.

Door deze baan heb ik geleerd betere vragen te stellen.

In het laatste voorbeeld is de leraar geen persoon. Ervaringen, fouten en situaties kunnen iemand figuurlijk iets teach: That taught me a lesson. De uitdrukking is registerneutraal. Teach yourself betekent zelfstandig leren, met de leerder tegelijk als handelende persoon en ontvanger.

I taught myself enough Italian to order food and ask for directions.

Ik heb mezelf genoeg Italiaans geleerd om eten te bestellen en de weg te vragen.

Teach tegenover learn

Nederlands leren laat de richting van kennisoverdracht vaak aan de context over. Engels maakt die richting lexicaal zichtbaar; zie ook de afzonderlijke referentie voor learn.

RolEngelsVoorbeeld
kennis geventeachShe teaches me English.
kennis verwervenlearnI'm learning English from her.

My uncle taught me to cook, and I learned by helping him on weekends.

Mijn oom leerde me koken, en ik leerde het door hem in het weekend te helpen.

Where did you learn to repair bicycles?

Waar heb je fietsen leren repareren?

In enkele dialecten komt learn voor met de betekenis “onderwijzen” (regional: nonstandard varieties), zoals That'll learn you. Voor algemeen Amerikaans Engels is dit niet de productieve standaard: gebruik That'll teach you. Underteach bestaat nauwelijks; educate is formeler en breder dan één vaardigheid aanleren.

Onderwerp, instelling en voorzetsels

Je gebruikt teach met a subject, a class of students als direct object, dus zonder voorzetsel. Een instelling volgt vaak op at: teach at a university. Een afdeling of land kan in krijgen: teach in the history department, teach in Japan. Teach about introduceert het thema waarover uitleg wordt gegeven.

She teaches at a community college in Oregon.

Ze geeft les aan een community college in Oregon.

The workshop teaches parents about online privacy.

De workshop informeert ouders over onlineprivacy.

Professor is in Amerikaans Engels gewoonlijk een academische rang of functie, niet het algemene woord voor iedere leraar. Teacher is het gewone beroep; instructor komt voor bij cursussen en praktische training. De werkwoordsvorm blijft in al die contexten teach.

Veelgemaakte fouten

1. Learn gebruiken voor kennis geven

❌ My sister learned me how to swim.

Onjuist in standaard-Engels: de zus gaf de kennis, dus gebruik taught.

✅ My sister taught me how to swim.

Mijn zus heeft me leren zwemmen.

2. Een regelmatige verleden vorm maken

❌ He teached biology for twenty years.

Onjuist: de past van teach is taught.

✅ He taught biology for twenty years.

Hij gaf twintig jaar lang biologie.

3. To in het dubbele-objectpatroon invoegen

❌ Can you teach to me this song?

Onjuist: zet de ontvanger direct na teach, of zet de inhoud vóór to.

✅ Can you teach me this song?

Kun je me dit liedje leren?

4. Een -ing-vorm gebruiken voor een aangeleerde handeling

❌ They taught us using the new software.

Onjuist als bedoeld is dat zij ons leerden het programma te gebruiken; de -ing-groep klinkt hier als een manier waarop ze lesgaven.

✅ They taught us to use the new software.

Ze leerden ons de nieuwe software te gebruiken.

5. Taught na did herhalen

❌ Who did taught you that rule?

Onjuist: did draagt de verleden tijd, dus daarna volgt teach.

✅ Who taught you that rule?

Wie heeft je die regel geleerd?

In de correcte zin is who zelf het onderwerp, zodat did helemaal niet nodig is. In een objectvraag krijg je wel did + teach: What did she teach you?

Kernpunten

  • De kernvormen zijn teach, teaches, taught, taught, teaching.
  • Teach geeft kennis; learn verwerft kennis. Nederlands leren dekt beide richtingen.
  • Gebruik teach someone something of teach something to someone.
  • Een handeling volgt als teach someone to do of teach someone how to do.
  • Sla uitspraak, rolverdeling en objectpatroon samen op; alleen de vertaling leren is onvoldoende.

Related Topics

  • Onregelmatige past simpleA2Leer veelvoorkomende onregelmatige past-vormen herkennen en onthouden via vormfamilies en natuurlijke context.
  • Werkwoorden met twee objectenB1Leer wanneer Engelse werkwoorden een ontvanger en een zaak als twee objecten kunnen uitdrukken en wanneer een to-constructie verplicht is.
  • De to-infinitiefA2Leer hoe to plus de grondvorm een tijdloze deelzin vormt als complement, doelbepaling of onderwerp, en waar not hoort.
  • Werkwoordreferentie: learnA1Leer learned en learnt, de patronen learn something, learn about en learn from, en het cruciale rolverschil met teach.
  • Werkwoordreferentie: tellA1Beheers told als onregelmatige vorm en leer wanneer tell een ontvanger, inhoudsbijzin of to-infinitive verlangt.
  • Werkwoordreferentie: speakA1Leer speak–spoke–spoken, gebruik taalnamen zonder voorzetsel en kies nauwkeurig tussen speak to, speak with en talk.