Werkwoordreferentie: learn

Learn betekent dat een leerling kennis of een vaardigheid verwerft: leren, te weten komen. Het werkwoord is niet simpelweg onovergankelijk. Het kan rechtstreeks een object nemen (learn English), met een voorzetsel staan (learn about history, learn from a coach) of een deelzin en infinitief inleiden (learn that..., learn how to..., learn to...). Het Nederlandse leren verbergt bovendien een rolverschil: Engels gebruikt teach voor wat de leraar overdraagt.

De vijf vormslots en regionale verleden vormen

SlotAlgemeen AmerikaansBritse variantUitspraak (GA)
base / kale infinitieflearnlearn/lɝn/
3e persoon enkelvoudlearnslearns/lɝnz/
pastlearnedlearned of learnt/lɝnd/
past participlelearnedlearned of learnt/lɝnd/
present participle / gerundlearninglearning/ˈlɝnɪŋ/

Learned is in Amerikaans Engels de normale past en het normale participle. Learnt /lɜːnt/ is vooral Brits Engels (regional: UK), al komt learned daar eveneens voor. Houd binnen één tekst bij voorkeur één regionale norm aan. Daarnaast bestaat het adjectief learned /ˈlɝnɪd/ met twee lettergrepen, geleerd/erudiet, vooral in formele combinaties als a learned scholar (formal). Dat is niet de uitspraak van het werkwoord.

I learn something new from every client.

Ik leer van iedere klant iets nieuws.

She learned Spanish while living in New Mexico.

Ze heeft Spaans geleerd toen ze in New Mexico woonde.

We haven't learned the results yet.

We hebben de uitslag nog niet gehoord.

Where did you learn to cook like that?

Waar heb je zo leren koken?

Na did staat learn, niet learned. Na have staat in de Amerikaanse norm learned. De onregelmatige Britse variant verandert niets aan de overige slots.

Learn something: een direct object

Learn is transitief wanneer het object noemt wat iemand verwerft: een taal, regel, vaardigheid, feit, naam, les of tekst. Er staat dan geen about tussen het werkwoord en dat concrete leerobject.

The children are learning basic sign language at school.

De kinderen leren op school elementaire gebarentaal.

You'll need to learn the safety procedures before your first shift.

Je moet de veiligheidsprocedures leren vóór je eerste dienst.

I never learned his last name.

Ik ben zijn achternaam nooit te weten gekomen.

Bij learn a lesson kan het om echte onderwijsstof gaan, maar vaker om inzicht dat ervaring oplevert. Learn one's lines betekent de tekst voor een toneelrol uit het hoofd leren. In Amerikaans Engels is memorize vaak natuurlijker dan Brits learn by heart voor letterlijk memoriseren.

We learned a hard lesson about backing up our files.

We hebben op een pijnlijke manier geleerd hoe belangrijk reservekopieën zijn.

Learn about, learn from en learn of

Met learn about + onderwerp verwerf je informatie over iets. Het onderwerp is het terrein waarover de kennis gaat, niet noodzakelijk één afgebakend leerobject. Daardoor contrasteert learn French (de taal leren beheersen) met learn about French (informatie over het Frans of iets met die naam opdoen).

We're learning about local wildlife in science class.

Bij natuurwetenschappen leren we over de plaatselijke fauna.

Learn from + bron noemt de persoon, ervaring, fout of informatiebron waaruit de kennis komt. Een persoon na learn heeft dus gewoonlijk from als die persoon de bron is. Het object kan ook een les zijn: learn something from someone.

I learned a great deal from my first supervisor.

Ik heb veel van mijn eerste leidinggevende geleerd.

What can we learn from this mistake?

Wat kunnen we van deze fout leren?

Learn of + gebeurtenis/feit betekent vernemen van, te weten komen dat iets bestaat en klinkt formeel of verhalend (formal/literary). In een gewoon gesprek is hear about vaak natuurlijker.

The board learned of the breach on Monday morning.

Het bestuur vernam maandagochtend van het datalek. (formal)

💡
Learn something noemt de verworven inhoud, learn about something het onderwerp van onderzoek en learn from someone de bron. Het voorzetsel verandert dus het semantische frame.

Deelzinnen en vragen als leerinhoud

Met learn that + mededelende deelzin betekent learn vaak te weten komen: het moment waarop nieuwe informatie beschikbaar wordt. Een ingebedde vraag kan beginnen met who, what, where, when, why, how of whether. Zoals altijd in een ingebedde vraag is er geen vraagwoordvolgorde.

We learned that our flight had been canceled.

We kwamen erachter dat onze vlucht was geannuleerd.

You'll soon learn why this step matters.

Je zult snel leren waarom deze stap belangrijk is.

Did you learn whether the store will reopen?

Ben je te weten gekomen of de winkel weer opengaat?

Learn about en learn that zijn niet verwisselbaar. I learned about the closure noemt het onderwerp van het nieuws; I learned that the store had closed geeft de inhoud als volledige propositie.

Learn to do en learn how to do

Learn to + infinitive betekent dat iemand een vaardigheid of nieuw gedrag verwerft. Learn how to + infinitive legt iets meer nadruk op de methode of praktische kennis; in veel vaardigheidszinnen zijn beide mogelijk.

My daughter is learning to ride a bike.

Mijn dochter leert fietsen.

We learned how to use the new booking system.

We hebben geleerd hoe we het nieuwe reserveringssysteem moeten gebruiken.

Een gerund volgt niet rechtstreeks in deze vaardigheidsbetekenis: standaard-Engels zegt learn to swim, niet learn swimming. De gerund verschijnt wel na een voorzetsel: learn by doing, learn through practicing, learn about managing a team.

You learn by making small mistakes and correcting them.

Je leert door kleine fouten te maken en ze te verbeteren.

De leerling en de leraar: learn tegenover teach

Dit is de centrale valstrik voor Nederlandstaligen. In X learns Y, is X de leerling: kennis beweegt naar X. In A teaches X Y, is A de leraar of bron die de kennis overdraagt. Nederlands Mijn vader leerde mij zwemmen gebruikt leren voor de leraar; Engels moet My father taught me to swim hebben.

RolEngels patroonBetekenis
leerling als onderwerpSam learned the rule.Sam verwierf de kennis.
leraar als onderwerpKim taught Sam the rule.Kim droeg de kennis aan Sam over.
bron met leerder als onderwerpSam learned the rule from Kim.Sam verwierf de kennis van Kim.

My grandfather taught me how to repair a bicycle.

Mijn opa leerde me hoe ik een fiets moest repareren.

I learned how to repair a bicycle from my grandfather.

Ik heb van mijn opa geleerd hoe ik een fiets moest repareren.

Dialectaal komt learn someone something voor in delen van het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten (regional/nonstandard). In internationaal standaard-Engels betekent het niet iemand iets leren; gebruik teach. Zie werkwoordreferentie: teach.

Learn, study en know

Study benoemt de doelgerichte activiteit van lezen, oefenen of onderzoeken. Learn benoemt het verwerven dat daar hopelijk uit voortkomt. Je kunt uren study zonder veel te learn. Know is vervolgens de toestand waarin de kennis beschikbaar is; learn is de overgang naar die toestand.

💡
Zie de drie werkwoorden als een tijdlijn: je study tijdens de inspanning, learn wanneer kennis wordt verworven en know wanneer die kennis beschikbaar is.

I studied the manual all evening, but I didn't learn much.

Ik heb de handleiding de hele avond bestudeerd, maar ik heb niet veel geleerd.

I learned her address yesterday, so I know it now.

Ik kwam gisteren achter haar adres, dus nu weet ik het.

Aspect, perfect en register

Learn is dynamisch. De progressive toont een leerproces dat gaande is: I'm learning Korean. De simple present past bij een routine of algemene manier van leren: I learn best by listening. De simple past kan één moment van ontdekking of een afgerond leertraject noemen. De present perfect verbindt verworven kennis of levenslessen met nu.

I'm learning how to manage my time more effectively.

Ik leer momenteel hoe ik mijn tijd effectiever kan indelen.

I've learned not to check email during meetings.

Ik heb geleerd om tijdens vergaderingen mijn e-mail niet te controleren.

Live and learn en You learn something new every day zijn informele vaste uitspraken (informal). Learn the hard way betekent dat ervaring, vaak een onaangename, de les afdwingt. Come to learn/understand klinkt verhalender en benadrukt een geleidelijke uitkomst.

Veelgemaakte fouten

1. Learn gebruiken met de leraar als onderwerp

❌ My sister learned me how to drive.

Onjuist in standaard-Engels: de zus draagt de vaardigheid over en is dus de leraar.

✅ My sister taught me how to drive.

Mijn zus heeft me leren autorijden.

2. De bron zonder from toevoegen

❌ I learned this trick my coworker.

Onjuist: de bron van de kennis wordt met from ingeleid.

✅ I learned this trick from my coworker.

Ik heb dit trucje van mijn collega geleerd.

3. Een gerund gebruiken voor een vaardigheid

❌ He is learning driving.

Onjuist in standaard-Engels: gebruik learn to voor de vaardigheid.

✅ He is learning to drive.

Hij leert autorijden.

4. De Amerikaanse verleden vorm als onregelmatig behandelen

❌ We have learn the new procedure.

Onjuist: na have staat het past participle learned in Amerikaans Engels.

✅ We have learned the new procedure.

We hebben de nieuwe procedure geleerd.

5. Learn about gebruiken voor directe taalbeheersing

❌ She learned about English while living in Chicago.

Misleidend als taalbeheersing bedoeld is: dit betekent dat ze informatie óver het Engels opdeed.

✅ She learned English while living in Chicago.

Ze heeft Engels geleerd toen ze in Chicago woonde.

Kernpunten

  • De Amerikaanse slots zijn learn–learns–learned–learned–learning; Brits Engels heeft ook learnt.
  • Learn kan transitief zijn: learn a language, a rule, the truth.
  • Gebruik learn about voor een onderwerp, learn from voor een bron en learn of in formeel vernemen van.
  • Vaardigheden volgen meestal het patroon learn (how) to do; learn by doing noemt de methode.
  • De leerling learns; de leraar teaches.

Related Topics