Werkwoordreferentie: run

Run betekent niet alleen rennen. Het kan ook een organisatie beheren, een machine laten draaien, een programma uitvoeren, een route volgen of een dienst verzorgen. Die betekenissen delen het idee van voortgaande beweging of werking, maar verschillen in valentie: sommige zijn onovergankelijk, andere hebben een direct object.

De vijf vormslots: run, runs, ran, run, running

SlotVormUitspraak (algemeen Amerikaans)Voorbeeld
base / kale infinitiefrun/rʌn/I run before breakfast.
3e persoon enkelvoudruns/rʌnz/She runs the store.
pastran/ræn/We ran home.
past participlerun/rʌn/They've run this test.
present participle / gerundrunning/ˈrʌnɪŋ/The engine is running.

De reeks is run–ran–run: alleen de simple past heeft /æ/. Het past participle keert terug naar run /ʌ/, dus has run, nooit has ran. Voor running verdubbelt de slot-n: een beklemtoonde eenlettergrepige stam met één slotmedeklinker na één geschreven klinker krijgt vóór -ing een dubbele medeklinker. Runner en running hebben daarom nn, maar runs niet.

I run along the river three mornings a week.

Ik hardloop drie ochtenden per week langs de rivier.

Nina ran back to the car for her umbrella.

Nina rende terug naar de auto om haar paraplu te halen.

We've run the same diagnostic test twice.

We hebben dezelfde diagnostische test twee keer uitgevoerd.

Why hasn't the bus run on time this week?

Waarom heeft de bus deze week niet op tijd gereden?

Na did staat de base: Did you run? Na have staat het participle, dat er toevallig hetzelfde uitziet als de base: Have you run? Zie onregelmatige verleden vormen.

Rennen en een route afleggen

Bij lichamelijke beweging is run meestal onovergankelijk. Richting en plaats volgen met een voorzetsel of bijwoord: run to the station, run across the street, run home. Bij home, upstairs, downtown staat doorgaans geen to.

He ran across the street before the light changed.

Hij rende de straat over voordat het licht versprong.

Don't run in the hallway.

Ren niet op de gang.

I had to run home and grab my passport.

Ik moest naar huis rennen om mijn paspoort te pakken.

Een afstand, wedstrijd of route kan rechtstreeks object zijn: run a mile, run a marathon, run the trail. Dit heet soms een cognate of route-object; het maakt run niet algemeen transitief voor een bestemming. Engels zegt run to the station, niet run the station als “naar het station rennen”.

She ran her first marathon in under four hours.

Ze liep haar eerste marathon in minder dan vier uur.

Go for a run is een gewone manier om één hardloopsessie te noemen. Jog wijst doorgaans op een rustig tempo; de grens is niet grammaticaal scherp.

Een organisatie of activiteit beheren

Transitive run + organisatie/activiteit betekent leiden, beheren, organiseren. Het object kan een bedrijf, afdeling, campagne, cursus, vergadering of evenement zijn. Dit gebruik is neutraal en zeer frequent, ook in zakelijk Engels.

Her family runs a small bakery near the station.

Haar familie runt een kleine bakkerij bij het station.

Who ran the meeting while Dana was away?

Wie leidde de vergadering toen Dana weg was?

We've been running free workshops for new residents.

We organiseren gratis workshops voor nieuwe inwoners.

Nederlands gebruikt inmiddels ook runnen (informal), maar afhankelijk van het object zijn beheren, leiden, organiseren idiomatischer. In het Engels is geen voorzetsel nodig: run a company, niet run of a company.

Met run for + ambt betekent het werkwoord zich verkiesbaar stellen (political): She is running for mayor. Met run against + kandidaat noemt men de tegenstander.

Two independent candidates are running for mayor.

Twee onafhankelijke kandidaten stellen zich verkiesbaar voor het burgemeesterschap. (political)

💡
Controleer bij run eerst de valentie. Een persoon runs zonder object wanneer die rent; een manager runs a team met een direct object wanneer die het team leidt.

Machines, software en diensten

Een machine runs wanneer die functioneert; iemand runs a machine/program/test wanneer die het laat werken of uitvoert. Dit is een causatieve alternantie: dezelfde gebeurtenis wordt vanuit het functionerende ding of vanuit de veroorzaker bekeken.

The dishwasher is running, so the kitchen may be noisy.

De vaatwasser draait, dus het kan lawaaierig zijn in de keuken.

Could you run the update after everyone logs out?

Kun je de update uitvoeren nadat iedereen is uitgelogd?

This app won't run on older phones.

Deze app draait niet op oudere telefoons.

Bij openbaar vervoer betekent run dat een dienst rijdt of wordt uitgevoerd: Trains run every twenty minutes. Een maatschappij kan een dienst run between twee plaatsen. Bij wegen, leidingen en grenzen betekent het dat iets zich in een bepaalde richting uitstrekt.

Buses run every fifteen minutes during rush hour.

Tijdens de spits rijden er elke vijftien minuten bussen.

A narrow path runs behind the houses.

Achter de huizen loopt een smal pad.

Progressive is running past bij actuele werking; simple runs bij een eigenschap of dienstregeling. The battery is running low betekent dat de voorraad energie afneemt. Vloeistof kan eveneens run: The tap is running of Tears ran down her face.

Duur, toestand en resultaat

Run + adjective/complement beschrijft soms het voortduren of veranderen van een toestand: run late, run smoothly, run dry, run short of time. Deze combinaties zijn idiomatisch. Run late betekent te laat zijn of uitlopen, niet letterlijk rennen.

The appointment ran longer than we expected.

De afspraak liep langer uit dan we hadden verwacht.

We're running short of clean towels.

We beginnen door onze schone handdoeken heen te raken.

The copier has run out of toner again.

De toner van het kopieerapparaat is alweer op.

Run out of + voorraad is een onafscheidelijk patroon: het object volgt of. Run out zonder genoemd object betekent “opraken” of “naar buiten rennen”, afhankelijk van de context.

De frequente phrasal family

De partikels en voorzetsels veranderen de kernbetekenis aanzienlijk:

PatroonBetekenisType/register
run into someonetoevallig ontmoeteninformeel, onafscheidelijk
run into a problemop een probleem stuitenneutraal
run out of somethingdoor een voorraad heen rakenneutraal, onafscheidelijk
run over somethingeroverheen rijden; kort doornemenbetekenis contextafhankelijk
run something by someonevoorleggen voor reactieinformeel, scheidbaar
run awaywegrennen/vluchtenneutraal

I ran into Carlos at the farmers' market.

Ik kwam Carlos toevallig tegen op de boerenmarkt. (informal)

We ran into a licensing problem near the end of the project.

Tegen het einde van het project liepen we tegen een licentieprobleem aan.

Can I run one idea by you before I send the proposal?

Mag ik één idee aan je voorleggen voordat ik het voorstel verstuur? (informal)

Let's run over the main points once more.

Laten we de hoofdpunten nog één keer kort doornemen.

Bij run something over in de betekenis “eroverheen rijden” kan een voornaamwoord tussen werkwoord en partikel staan: run it over. Run into it blijft bijeen omdat into een voorzetsel is. Zie scheidbare en onafscheidelijke phrasal verbs.

Aspect en register

Lichamelijk run is dynamisch: she is running beschrijft een lopende activiteit, she runs een gewoonte. Bij beheren kan de progressive een tijdelijke verantwoordelijkheid aangeven: I'm running the office this week. Simple wijst eerder op een vaste rol: I run the office.

I'm running the front desk while Malik is on vacation.

Ik beheer deze week de receptie terwijl Malik op vakantie is.

She runs the front desk on weekday mornings.

Ze beheert de receptie op doordeweekse ochtenden.

Run is neutraal. Operate of administer kan in formele technische of institutionele contexten preciezer zijn (formal), maar is niet automatisch beter. Een ziekenhuis runs a clinic klinkt gewoon; een protocol kan be administered.

Veelgemaakte fouten

1. Ran als past participle gebruiken

❌ I've ran this route before.

Onjuist: ran is alleen de simple past; het participle is run.

✅ I've run this route before.

Ik heb deze route eerder gelopen.

2. De n niet verdubbelen

❌ The engine is runing again.

Onjuist: vóór -ing wordt de slotmedeklinker verdubbeld.

✅ The engine is running again.

De motor draait weer.

3. Een voorzetsel toevoegen bij beheren

❌ She runs of the customer-support team.

Onjuist: run is hier rechtstreeks transitief.

✅ She runs the customer-support team.

Ze leidt het klantenserviceteam.

4. Into scheiden

❌ I ran an old colleague into downtown.

Onjuist voor toevallig ontmoeten: run into is onafscheidelijk.

✅ I ran into an old colleague downtown.

Ik kwam in het centrum toevallig een oud-collega tegen.

5. Ran na did herhalen

❌ Did the train ran yesterday?

Onjuist: did draagt de verleden tijd.

✅ Did the train run yesterday?

Heeft de trein gisteren gereden?

💡
Leer alle vijf slots hardop: run, runs, ran, run, running. Koppel daarna elk betekenisframe aan zijn valentie: run quickly, run a company, a machine runs, run a test en run out of time.

Related Topics

  • Onregelmatige past simpleA2Leer veelvoorkomende onregelmatige past-vormen herkennen en onthouden via vormfamilies en natuurlijke context.
  • Overgankelijke en onovergankelijke werkwoordenB1Leer welke Engelse werkwoorden een direct object toelaten, welke zonder object staan en hoe dezelfde vorm oorzaak of verandering kan uitdrukken.
  • Scheidbare partikelwerkwoordenB1Leer waar naamwoorden en voornaamwoorden staan bij scheidbare combinaties als turn off, pick up en write down.
  • Partikelwerkwoorden met runB1Leer hoe run out of, run into, run over en run through tekort, ontmoeting, botsing en repetitie uitdrukken.
  • Werkwoordreferentie: goA1Leer alle vormen en kernpatronen van go, inclusief went, been tegenover gone, bestemmingen en verandering van toestand.