Het Nederlandse werkwoord leren kan twee tegengestelde kanten van kennisoverdracht benoemen: ik leer Engels en zij leert mij Engels. Standaardengels gebruikt daarvoor twee werkwoorden. Learn bekijkt het proces vanuit degene die kennis of een vaardigheid verwerft; teach bekijkt het vanuit degene die die kennis overdraagt of oefening begeleidt.
Learn: de leerling verwerft iets
Bij learn is het onderwerp degene die iets te weten of onder de knie krijgt. Het object is de kennis, taal, regel of vaardigheid.
I learned English at school, but I became fluent at work.
Ik leerde Engels op school, maar ik werd vloeiend op mijn werk.
We're learning the names of all our new neighbors.
We leren de namen van al onze nieuwe buren.
She learned the whole speech in two days.
Ze leerde de hele toespraak in twee dagen.
Learn kan een rechtstreeks object krijgen: learn English, learn the rules, learn a poem. Het kan ook zonder object staan wanneer de context duidelijk maakt wat iemand leert: Children learn through play.
Het kernidee is steeds een verandering bij de leerling: eerst wist of kon die persoon iets niet, later wel. De informatiebron kan met from worden toegevoegd.
I learned a lot from my first manager.
Ik heb veel geleerd van mijn eerste leidinggevende.
We can learn from what went wrong instead of blaming each other.
We kunnen leren van wat er misging in plaats van elkaar de schuld te geven.
Teach: de docent of ervaring draagt iets over
Bij teach is het onderwerp de persoon, ervaring, cursus of bron die kennis of een vaardigheid overdraagt. De leerling kan als object volgen.
She taught me English when I first moved to Chicago.
Ze leerde mij Engels toen ik net naar Chicago was verhuisd.
Mr. Chen teaches science at our local high school.
Meneer Chen geeft les in natuurwetenschappen op onze plaatselijke middelbare school.
That summer job taught me patience.
Dat zomerbaantje leerde me geduld te hebben.
In de derde zin is een baan geen letterlijke docent, maar de ervaring veroorzaakt wel dat de spreker iets leert. Dit figuurlijke gebruik is neutraal en zeer gewoon: The mistake taught us an important lesson.
Teach kan ook zonder genoemd object worden gebruikt als iemands beroep of activiteit centraal staat.
My aunt teaches at a community college.
Mijn tante geeft les aan een community college.
I've been teaching for nearly ten years.
Ik geef al bijna tien jaar les.
Teach at a school noemt de instelling; teach a class betekent een les of groep lesgeven. In en-US kan class zowel een afzonderlijke les als de groep/cursus betekenen, afhankelijk van de context.
Twee objecten bij teach
Wanneer zowel de leerling als de leerstof worden genoemd, heeft teach twee gewone patronen:
| Patroon | Voorbeeld | Focus |
|---|---|---|
| teach + persoon + inhoud | teach the children music | de persoon staat direct na het werkwoord |
| teach + inhoud + to + persoon | teach music to the children | de inhoud staat eerder; persoon volgt met to |
Nora taught the children a new song.
Nora leerde de kinderen een nieuw liedje.
Nora taught a new song to the children in the afternoon group.
Nora leerde de kinderen in de middaggroep een nieuw liedje.
Het eerste patroon is vaak het natuurlijkst wanneer de leerling een kort voornaamwoord is: teach me English, teach us the rules. Het to-patroon is nuttig wanneer de leerlinggroep lang is of wanneer je de leerstof eerder wilt noemen. Niet ieder communicatiewerkwoord laat beide patronen toe: explain vereist bijvoorbeeld explain the rule to me, zoals uitgelegd bij explain it to me.
Learn to do en teach someone to do
Voor vaardigheden met een handeling gebruikt Engels een infinitief met to. Learn to + verb betekent dat de leerling de vaardigheid ontwikkelt; teach someone to + verb betekent dat iemand de leerling daarbij instrueert.
I learned to swim when I was six.
Ik leerde zwemmen toen ik zes was.
My father taught me to drive in an empty parking lot.
Mijn vader leerde me autorijden op een lege parkeerplaats.
This video will teach you how to replace the filter.
Deze video leert je hoe je het filter vervangt.
Na learn kan ook how to staan, vooral wanneer de manier of procedure relevant is: learn how to cook. Vaak is learn to cook korter en even natuurlijk. Na teach zijn zowel teach someone to cook als teach someone how to cook mogelijk. How to vestigt iets meer aandacht op de methode.
We're learning how to use the new scheduling system.
We leren hoe we het nieuwe planningssysteem moeten gebruiken.
Learn about, learn that en find out
Learn about a topic betekent kennis over een onderwerp opdoen. Learn that + clause betekent vernemen of ontdekken dat iets waar is. Dat laatste klinkt vaak iets formeler dan het alledaagse find out.
The students are learning about local wildlife.
De leerlingen leren over de plaatselijke fauna.
I learned that the store had closed when I arrived.
Toen ik aankwam, vernam ik dat de winkel dicht was.
I found out that the store had closed when I arrived.
Toen ik aankwam, kwam ik erachter dat de winkel dicht was. (informeel/neutraal)
In en-US kan I learned that ... zowel doelbewust leren als onverwacht vernemen uitdrukken. Find out legt sterker de nadruk op het ontdekken van een feit. Nederlands ik leerde dat ... kan daarnaast betekenen dat iemand een algemene les internaliseerde; de context beslist.
Learn, study, practice en memorize
Deze werkwoorden beschrijven verschillende delen van hetzelfde proces. Study is tijd en aandacht besteden aan leerstof; learn is kennis verwerven; practice is een vaardigheid herhaald oefenen; memorize is iets uit het hoofd leren.
I studied French for two years, but I never learned to speak it confidently.
Ik studeerde twee jaar Frans, maar ik leerde het nooit zelfverzekerd spreken.
You need to practice the chords slowly before you play the whole song.
Je moet de akkoorden langzaam oefenen voordat je het hele nummer speelt.
We had to memorize the emergency phone number.
We moesten het noodnummer uit ons hoofd leren.
I studied it garandeert dus niet dat I learned it. Het eerste noemt de activiteit; het tweede suggereert een resultaat. Nederlands gebruikt leren soms voor beide, waardoor study gemakkelijk wordt vergeten.
Een zeldzame vorm die je niet moet nabootsen
Je kunt in oude teksten en sommige niet-standaarddialecten learn someone aantreffen met de betekenis βiemand iets lerenβ, bijvoorbeeld That'll learn you. In modern standaard-en-US is dit niet-standaard, regionaal of humoristisch. Het is nuttig de vorm te herkennen, maar gebruik zelf teach someone.
That'll learn you to touch my tools!
Dat zal je leren van mijn gereedschap af te blijven! (niet-standaard/humoristisch)
In verzorgd Engels wordt dit That'll teach you not to touch my tools. De uitzonderlijke uitdrukking verandert de hoofdregel niet.
Veelgemaakte fouten
Learn gebruiken voor lesgeven
β She learned me English.
Onjuist in standaardengels: het onderwerp draagt kennis over en vereist teach.
β She taught me English.
Ze leerde mij Engels.
Teach gebruiken terwijl het onderwerp de leerling is
β I taught English from watching TV.
Onjuist als je bedoelt dat je zelf Engels verwierf.
β I learned English by watching TV.
Ik leerde Engels door televisie te kijken.
De persoon zonder to achter de leerstof zetten
β She taught English me.
Onjuist: zet het korte persoonsobject vΓ³Γ³r de leerstof, of gebruik to.
β She taught me English.
Ze leerde mij Engels.
Study en learn als volledige synoniemen behandelen
β I learned all evening for the exam.
Onnatuurlijk als je alleen de studieactiviteit bedoelt; learn suggereert verworven kennis.
β I studied all evening for the exam.
Ik studeerde de hele avond voor het examen.
Kernpunten
- Bij learn is het onderwerp de leerling: I learned English.
- Bij teach is het onderwerp de kennisoverdrager: She taught me English.
- Gebruik teach + persoon + inhoud of teach + inhoud + to + persoon.
- Vaardigheden volgen het patroon learn to do en teach someone to do.
- Study noemt de activiteit, practice het oefenen en memorize het uit het hoofd leren; learn legt de nadruk op verwerving.
Related Topics
- Werkwoordreferentie: learnA1 β Leer learned en learnt, de patronen learn something, learn about en learn from, en het cruciale rolverschil met teach.
- Werkwoordreferentie: teachA1 β Leer teachβtaught vervoegen en gebruik het dubbel object, de to-infinitief en het contrast met learn correct.
- Volgorde van direct en indirect objectB1 β Kies tussen het dubbele-objectpatroon en een to-bepaling op basis van werkwoord, informatieverdeling en lengte.
- Say of tellB1 β Kies say wanneer de boodschap centraal staat en tell wanneer je een ontvanger, instructie of vaste combinatie noemt.
- Explain it to meA2 β Gebruik explain met de uitleg als direct object en markeer de ontvanger met to: explain the rule to me.