Werkwoordreferentie: show

Show betekent meestal tonen of laten zien, maar de Engelse constructie hangt af van wat je toont en aan wie: show someone something, show something to someone en show someone how to do something. Het werkwoord is bovendien gedeeltelijk onregelmatig: de gewone past is showed, terwijl het gebruikelijke past participle shown is.

De vijf vormslots en hun uitspraak

SlotVormUitspraak (algemeen Amerikaans)Voorbeeld
base / kale infinitiefshow/ʃoʊ/Can you show me?
3e persoon enkelvoudshows/ʃoʊz/The map shows both routes.
pastshowed/ʃoʊd/She showed me the message.
past participleshown/ʃoʊn/They have shown the results.
present participle / gerundshowing/ˈʃoʊɪŋ/He's showing us around.

De hoofdreeks is show–showed–shown. De -ed van showed klinkt /d/, omdat /oʊ/ stemhebbend is. In showing blijft de w staan en komt -ing rechtstreeks achter de stam. Shows eindigt op /z/. Verwar shown /ʃoʊn/ niet met shone /ʃoʊn/, de past van shine in de betekenis “licht geven”: dezelfde uitspraak, maar een ander werkwoord.

The dashboard shows your current balance.

Het dashboard toont je huidige saldo.

Maya showed us the photos after dinner.

Maya liet ons na het eten de foto's zien.

The final figures haven't shown any improvement.

De definitieve cijfers hebben geen verbetering laten zien.

Did he show you where the spare key was?

Heeft hij je laten zien waar de reservesleutel lag?

Na did staat de base show; na has/have staat normaal shown. Zie onregelmatige verleden vormen.

Iets zichtbaar of begrijpelijk maken

Met een zaak als direct object betekent show dat je die zichtbaar maakt, presenteert of als bewijs laat blijken. Het onderwerp kan een persoon zijn, maar ook een afbeelding, meting of gebeurtenis.

Please show your ID at the front desk.

Laat bij de receptie alstublieft je identiteitsbewijs zien. (neutral/formal)

This graph clearly shows why demand fell in July.

Deze grafiek laat duidelijk zien waarom de vraag in juli daalde.

Her face didn't show any sign of disappointment.

Op haar gezicht was geen teken van teleurstelling te zien.

In show that ... of show + wh-clause is wat volgt de inhoud die bewijs of uitleg zichtbaar maakt. That is in een gesprek vaak weglaatbaar wanneer de structuur zonder voegwoord helder blijft; die keuze hangt niet af van een persoonlijk onderwerp. In formeel en academisch proza helpt that de structuur markeren.

The survey shows that most commuters support the change.

Uit de enquête blijkt dat de meeste forenzen de verandering steunen. (academic)

Nederlands vertaalt dit onpersoonlijke show vaak met blijken uit of aantonen. Je hoeft dus niet altijd letterlijk tonen te gebruiken.

Twee objecten: show me the screen

Wanneer iemand iets te zien krijgt, kan show een indirect en een direct object hebben: show + ontvanger + zaak. De ontvanger staat zonder to vóór de zaak.

Could you show me the email you received?

Kun je me de e-mail laten zien die je hebt ontvangen?

I'll show the new interns our booking system.

Ik laat de nieuwe stagiairs ons boekingssysteem zien.

Je kunt de zaak vooropzetten en de ontvanger met to toevoegen: show + zaak + to + ontvanger. Dat patroon is handig wanneer de zaak lang is of juist het nieuwe gespreksonderwerp vormt.

She showed the damaged connector to the technician.

Ze liet de beschadigde stekker aan de monteur zien.

Which version did you show to the client?

Welke versie heb je aan de klant laten zien?

Niet elk Nederlands voornaamwoord kan woord voor woord dezelfde plaats krijgen. Engels zegt show it to me, niet show me it. Bij een kort voornaamwoord als zaak is het to-patroon de natuurlijke keuze. Zie werkwoorden met twee objecten.

💡
Leer twee veilige frames als geheel: show someone something, maar show it to someone. Zo voorkom je zowel een overbodig to als de onnatuurlijke volgorde show me it.

Show someone how, where of what

Na de ontvanger kan een ingebedde vraag volgen: show me how/where/what .... Dit is grammaticaal een bijzin, geen directe vraag. Daarom blijft de woordvolgorde mededelend: show me where it is, niet where is it.

Can you show me how this lock works?

Kun je me laten zien hoe dit slot werkt?

She showed us where to leave our bags.

Ze liet ons zien waar we onze tassen moesten achterlaten.

I'll show you what to change in the settings.

Ik laat je zien wat je in de instellingen moet veranderen.

Met how to + infinitive leg je een methode uit. Gebruik geen extra onderwerp tussen how en to. Als het handelende onderwerp expliciet moet zijn, gebruik je een volledige bijzin: show me how I can reset it.

Has anyone shown you how to submit an expense report?

Heeft iemand je laten zien hoe je een onkostendeclaratie indient?

Shown en het beperkte participle showed

Shown is in hedendaags verzorgd Engels het normale past participle: has shown, had shown, was shown. Showed komt ook als participle voor, vooral in Amerikaans gebruik en informele contexten, maar is veel minder algemeen en kan in redactie als niet-standaard of ongepolijst worden ervaren. Voor leerders is shown daarom de betrouwbare keuze in perfect en passief.

We've shown this apartment to three potential tenants.

We hebben dit appartement aan drie potentiële huurders laten zien.

The documentary was shown on public television last year.

De documentaire werd vorig jaar op de publieke omroep uitgezonden.

The team has showed remarkable patience.

Het team heeft opmerkelijk veel geduld getoond. (regional/informal: vooral Amerikaans; shown is neutraler)

Het alternatief verandert de betekenis niet. Gebruik het niet om een verschil tussen actieve en passieve zinnen uit te drukken. In examens, zakelijke tekst en academisch Engels kies je shown.

Aspect, passief en veelgebruikte partikels

Show is dynamisch wanneer iemand iets presenteert en kan dan probleemloos progressive zijn: I'm showing her the office. Bij een grafiek die blijvend informatie bevat, is simple normaler: The chart shows .... Progressive kan daar een tijdelijke ontwikkeling benadrukken: The latest readings are showing a downward trend.

We're showing the visitors around before lunch.

We leiden de bezoekers vóór de lunch rond.

The test is showing a faint positive line.

De test laat een vaag positief streepje zien.

Show up betekent “verschijnen/opdagen” (informal/neutral) of zichtbaar worden; het is onovergankelijk. Show off betekent opzichtig laten zien of pronken en heeft vaak een afkeurende bijklank (informal). Show someone around betekent een rondleiding geven.

Only six people showed up for the early session.

Er kwamen maar zes mensen opdagen voor de vroege sessie. (informal)

He was showing off his new watch all evening.

Hij liep de hele avond met zijn nieuwe horloge te pronken. (informal)

Veelgemaakte fouten

1. De kale vorm show na have gebruiken

❌ I've show her the updated schedule.

Onjuist: na have is een past participle nodig, niet de base show.

✅ I've shown her the updated schedule.

Ik heb haar het bijgewerkte rooster laten zien.

2. To toevoegen vóór het eerste object

❌ Show to me the receipt.

Onjuist objectpatroon: vóór een ontvanger die direct na show staat, komt geen to.

✅ Show me the receipt.

Laat me het bonnetje zien.

3. Vraagvolgorde in een how-bijzin gebruiken

❌ Can you show me how does it work?

Onjuist: de ingebedde how-bijzin heeft mededelende woordvolgorde.

✅ Can you show me how it works?

Kun je me laten zien hoe het werkt?

4. Een voornaamwoord achter de ontvanger zetten

❌ I'll show you it tomorrow.

Onnatuurlijk: bij it als getoonde zaak gebruikt standaard-Engels het to-patroon.

✅ I'll show it to you tomorrow.

Ik laat het je morgen zien.

5. Na did de past herhalen

❌ Did they showed you the room?

Onjuist: did draagt de verleden tijd.

✅ Did they show you the room?

Hebben ze je de kamer laten zien?

💡
Beheers show als een netwerk: vorm show–showed–shown, ontvangerframe show someone something, voornaamwoordframe show it to someone en uitleggend frame show someone how to do something.

Related Topics

  • Onregelmatige past simpleA2Leer veelvoorkomende onregelmatige past-vormen herkennen en onthouden via vormfamilies en natuurlijke context.
  • Werkwoorden met twee objectenB1Leer wanneer Engelse werkwoorden een ontvanger en een zaak als twee objecten kunnen uitdrukken en wanneer een to-constructie verplicht is.
  • Volgorde van direct en indirect objectB1Kies tussen het dubbele-objectpatroon en een to-bepaling op basis van werkwoord, informatieverdeling en lengte.
  • Nominale wh-bijzinnenB2Gebruik ingebedde bijzinnen met what, where, when, why en how als onderwerp, object of naamwoordelijk deel.
  • Werkwoordreferentie: tellA1Beheers told als onregelmatige vorm en leer wanneer tell een ontvanger, inhoudsbijzin of to-infinitive verlangt.