Werkwoordreferentie: wear

Wear betekent in de kern dragen wanneer kleding of een ander voorwerp zich op of aan iemands lichaam bevindt. De onregelmatige reeks is wear–wore–worn. Voor Nederlandstaligen zijn drie dingen bijzonder belangrijk: de klinkerwisseling correct onthouden, wear in de simple of progressive zetten afhankelijk van gewoonte of actuele situatie, en niet elk Nederlands dragen automatisch met wear vertalen — een tas in je hand carry je.

Vormen, klinkers en uitspraak

SlotVormUitspraak (algemeen Amerikaans)Voorbeeld
base formwear/wɛr/can wear
3e persoon enkelvoudwears/wɛrz/she wears
pastwore/wɔr/we wore
past participleworn/wɔrn/has worn
present participle / gerundwearing/ˈwɛrɪŋ/is wearing

Wear klinkt hetzelfde als where in de meeste hedendaagse Amerikaanse uitspraakvariëteiten. Wore heeft een andere klinker, en worn voegt /n/ toe. De spelling geeft de hele reeks niet betrouwbaar prijs; leer daarom hardop wear–wore–worn. Weared en wored zijn geen standaardvormen. Voor wearing voeg je eenvoudig -ing toe zonder letters te schrappen of verdubbelen.

I wear glasses when I drive at night.

Ik draag een bril als ik 's nachts autorijd.

She didn't wear a coat to the concert.

Ze ging zonder jas naar het concert.

What did you wear to the interview?

Wat had je aan tijdens het sollicitatiegesprek?

I've worn these boots in snow and heavy rain.

Ik heb deze laarzen in sneeuw en hevige regen gedragen.

Have you ever worn contact lenses?

Heb je ooit contactlenzen gedragen?

In simple-present- en simple-pastvragen gebruikt Engels do/does/did + wear. Na did staat dus wear, niet wore. Perfecte tijden gebruiken have/has/had + worn. De progressive wordt gevormd met be + wearing.

Tijd of wijsBevestigendOntkennendVraag
present simpleShe wears glasses.She doesn't wear glasses.Does she wear glasses?
past simpleShe wore glasses.She didn't wear glasses.Did she wear glasses?
present perfectShe has worn glasses.She hasn't worn glasses.Has she worn glasses?
past perfectShe had worn glasses.She hadn't worn glasses.Had she worn glasses?
progressiveShe is wearing glasses.She isn't wearing glasses.Is she wearing glasses?
futureShe will wear glasses.She won't wear glasses.Will she wear glasses?
conditionalShe would wear glasses.She wouldn't wear glasses.Would she wear glasses?
imperativeWear your glasses.Don't wear those glasses.

Wat kun je wear?

Het directe object van wear is iets dat op, aan of rond het lichaam aanwezig is. De prototypische objecten zijn kleding en schoenen: wear a shirt, a dress, a suit, gloves, boots. Ook accessoires, hulpmiddelen en aangebrachte stoffen passen in hetzelfde patroon: wear glasses, a hearing aid, a watch, jewelry, makeup, perfume, sunscreen.

Please wear sunscreen even if the sky looks cloudy.

Smeer je alsjeblieft in met zonnebrandcrème, ook als de lucht bewolkt lijkt.

The chef wears a hearing aid in her left ear.

De chef-kok draagt een hoortoestel in haar linkeroor.

Engels gebruikt wear ook voor haar en gezichtsbeharing wanneer stijl of uiterlijk centraal staat: wear your hair short, wear a beard. Een gezichtsuitdrukking kan eveneens als iets zichtbaars worden voorgesteld: wear a smile, wear a worried expression. Dat laatste is iets beschrijvender en komt vaker in geschreven taal voor.

He wore his hair long in college, but now it's cut short.

Tijdens zijn studententijd had hij lang haar, maar nu is het kortgeknipt.

She walked into the meeting wearing a confident smile.

Ze liep de vergadering binnen met een zelfverzekerde glimlach op haar gezicht.

Wear beschrijft de toestand nadat iemand iets heeft aangetrokken. Put on benoemt de handeling van aantrekken; get dressed benoemt zich aankleden. Vergelijk She put on her coat at eight met She wore her coat all morning. Het eerste heeft een natuurlijk eindpunt, het tweede beschrijft de toestand over een periode.

Put on your jacket before you go outside.

Trek je jas aan voordat je naar buiten gaat.

He wore his jacket indoors because the office was freezing.

Hij hield binnen zijn jas aan omdat het op kantoor ijskoud was.

💡
Put on is de overgang; wear is de resulterende toestand. Nederlands een jas aantrekken wordt dus put on a coat, terwijl een jas aanhebben/dragen meestal wear a coat is.

Simple of progressive: gewoonte tegenover nu

Omdat kleding zich gedurende enige tijd op het lichaam bevindt, lijkt wear op een toestandswerkwoord. Toch gebruikt Engels de progressive heel gewoon voor wat iemand op dit moment aanheeft. De simple present geeft meestal een gewoonte, kenmerk, voorschrift of terugkerende keuze; de present progressive beschrijft het actuele of tijdelijke uiterlijk.

I wear jeans to work most Fridays.

Op de meeste vrijdagen draag ik op mijn werk een spijkerbroek.

I'm wearing jeans today because we're moving furniture.

Ik heb vandaag een spijkerbroek aan omdat we meubels verplaatsen.

Does your son wear glasses?

Draagt je zoon een bril?

Is your son wearing his glasses in the class photo?

Heeft je zoon op de klassenfoto zijn bril op?

Het minimale contrast zit niet simpelweg in “lang” tegenover “kort”. In een portret kan kleding permanent afgebeeld zijn, maar bij de beschrijving van die ene momentopname staat gewoon be wearing: In the portrait, she is wearing a blue dress. En een korte handeling kan de habituele simple krijgen: He wears a helmet whenever he rides. Het gekozen gezichtspunt — algemene gewoonte of concrete situatie — bepaalt het aspect.

De algemene aspectkeuze wordt stap voor stap behandeld bij present simple tegenover present continuous.

In instructies en regels gebruikt Engels de base form of simple present: Wear safety goggles; Employees wear badges at all times. Een progressive zou daar een actuele observatie van maken, geen algemene regel.

All visitors must wear a badge inside the laboratory.

Alle bezoekers moeten in het laboratorium een badge dragen.

In de past werkt hetzelfde contrast. She wore black to the ceremony presenteert de kledingkeuze als volledig gebeuren. She was wearing black when I saw her vormt de achtergrond waartegen het zien plaatsvond.

I was wearing headphones, so I didn't hear the doorbell.

Ik droeg een koptelefoon, dus ik hoorde de deurbel niet.

De present perfect has worn kijkt naar ervaring, herhaling of een toestand tot nu toe. Has been wearing legt nadruk op duur of tijdelijke herhaling en is natuurlijk bij since/for: She's been wearing the same boots all week. Het resultaat van slijtage kan bovendien in de participiale vorm worn zichtbaar worden: a worn carpet betekent “een versleten tapijt”.

He's worn the same watch for twenty years.

Hij draagt al twintig jaar hetzelfde horloge.

She's been wearing a wrist brace since Monday.

Ze draagt sinds maandag een polsbrace.

💡
Vraag niet alleen “gebeurt het nu?”, maar “beschrijf ik deze concrete situatie of een algemene gewoonte?” Kies is wearing voor de concrete momentopname en wears voor het vaste patroon.

Wear tegenover carry

Nederlands dragen dekt minstens twee Engelse perspectieven. Wear betekent dat iets als kleding, accessoire of aangebracht element op het lichaam zit. Carry betekent dat iemand iets vervoert, ondersteunt of bij zich heeft. De positie en functie, niet het Nederlandse woord, bepalen de keuze.

SituatieWerkwoordVoorbeeld
jas aan het lichaamwearwear a coat
jas over de arm vervoerencarrycarry a coat
rugzak op de rug als uitrustingwearwear a backpack
rugzak meenemen of vervoerencarrycarry a backpack
bril op het gezichtwearwear glasses
reservebril in een tascarrycarry spare glasses

Bij een rugzak kunnen beide werkwoorden dus correct zijn, met ander perspectief. She's wearing a backpack beschrijft hoe de rugzak aan haar lichaam zit. She's carrying a backpack presenteert hem als bagage die zij vervoert. Bij een handtas is carry a purse de gewone keuze, ook als de band over een schouder ligt; wear a purse kan alleen in een uitgesproken modecontext natuurlijk worden.

I'm carrying an umbrella, but I'm not wearing a raincoat.

Ik heb een paraplu bij me, maar ik draag geen regenjas.

The hikers were wearing heavy backpacks and carrying extra water.

De wandelaars droegen zware rugzakken op hun rug en hadden extra water bij zich.

Have on is een informele statische variant van be wearing: She has a blue jacket on. In een losse vraag als What do you have on? bepaalt de context wat de spreker precies wil weten, en de vraag kan persoonlijk klinken. Bij identificatie is What color coat are you wearing? preciezer.

Slijtage en register

Naast “aanhebben” kan transitief wear betekenen dat gebruik of wrijving iets geleidelijk afslijt: Heavy traffic wears the paint away. Intransitief wear well betekent dat materiaal of kleding lang meegaat of goed blijft. Deze fysieke betekenis deelt het idee van langdurig contact, maar heeft een andere objectrol dan kleding dragen.

These work boots have worn well despite the wet weather.

Deze werklaarzen hebben zich ondanks het natte weer goed gehouden.

Voor “dragen” is wear neutraal in alle registers. Don betekent “aantrekken” en is (formal/literary); sport kan (informal) betekenen dat iemand opvallend iets draagt of een uiterlijk vertoont: He was sporting a new beard. Geen van beide is een algemene vervanging voor wear.

Guests are required to don protective shoe covers before entering.

Gasten moeten beschermende schoenhoezen aantrekken voordat ze naar binnen gaan. (formal)

Veelgemaakte fouten

1. Een regelmatige past gebruiken

❌ She weared a red dress to the ceremony.

Onjuist: de past van wear is wore.

✅ She wore a red dress to the ceremony.

Ze droeg een rode jurk tijdens de ceremonie.

2. Wore na have zetten

❌ I've wore these shoes twice.

Onjuist: na have staat het past participle worn.

✅ I've worn these shoes twice.

Ik heb deze schoenen twee keer gedragen.

3. Simple present voor één concrete momentopname kiezen

❌ Look, he wears the sweater you gave him.

Onnatuurlijk voor wat hij op dit moment aanheeft: gebruik de progressive.

✅ Look, he's wearing the sweater you gave him.

Kijk, hij heeft de trui aan die je hem hebt gegeven.

4. Carry gebruiken voor kleding aan het lichaam

❌ It's cold, so I'm carrying a thick coat.

Onjuist als de jas aan je lichaam zit; carrying betekent dat je hem vervoert.

✅ It's cold, so I'm wearing a thick coat.

Het is koud, dus ik draag een dikke jas.

5. Wear gebruiken voor iets in de hand

❌ She's wearing two grocery bags.

Onjuist als ze de tassen in haar handen vervoert.

✅ She's carrying two grocery bags.

Ze draagt twee boodschappentassen.

Kernpunten

  • De vijf slots zijn wear, wears, wore, worn, wearing.
  • Wear beschrijft iets dat op of aan het lichaam zit; put on benoemt het aantrekken.
  • Gebruik simple present voor gewoonte of regel en present progressive voor een actuele, concrete situatie.
  • Nederlands dragen wordt wear voor kleding en accessoires, maar carry voor vervoeren of bij zich hebben.
  • Wear is neutraal; don is formeel of literair en sport informeel en opvallend.

Related Topics

  • Onregelmatige past simpleA2Leer veelvoorkomende onregelmatige past-vormen herkennen en onthouden via vormfamilies en natuurlijke context.
  • Present simple of present continuousA1Kies de present simple voor gewoonten en toestanden en de present continuous voor tijdelijke processen, afspraken en ontwikkelingen.
  • Handelingen rond het spreekmomentA2Gebruik de present continuous voor handelingen en ontwikkelingen die binnen de huidige tijdszone gaande zijn.
  • Resultaat dat nu relevant isA2Leer hoe de present perfect een voltooide gebeurtenis koppelt aan een zichtbaar, praktisch of gesprekstechnisch relevant resultaat in het heden.
  • Overgankelijke en onovergankelijke werkwoordenB1Leer welke Engelse werkwoorden een direct object toelaten, welke zonder object staan en hoe dezelfde vorm oorzaak of verandering kan uitdrukken.
  • Bring of takeA2Kies bring voor beweging naar het relevante gezichtspunt en take voor beweging ervandaan, met ruimte voor een gedeelde toekomstige bestemming.