Werkwoordreferentie: give

Give betekent in de kern dat iets van de ene deelnemer naar een andere overgaat: een voorwerp, informatie, toestemming, tijd of zelfs een effect. Het werkwoord is onregelmatig en heeft vaak drie deelnemers: de gever, datgene wat wordt gegeven en de ontvanger. Juist de volgorde van die laatste twee maakt give voor Nederlandstaligen lastig.

De vijf vormslots en hun uitspraak

SlotVormUitspraak (algemeen Amerikaans)Voorbeeld
base / kale infinitiefgive/ɡɪv/can give
3e persoon enkelvoudgives/ɡɪvz/she gives
pastgave/ɡeɪv/they gave
past participlegiven/ˈɡɪvən/has given
present participle / gerundgiving/ˈɡɪvɪŋ/is giving

De korte klinker /ɪ/ van give keert terug in given en giving; alleen gave heeft /eɪ/. Voor -ing verdwijnt de stille e: giving, niet giveing. Gave is uitsluitend de simple past. Na have, has of had heb je altijd given nodig.

I give the dog fresh water every morning.

Ik geef de hond elke ochtend vers water.

She gives every new employee a tour of the building.

Ze geeft elke nieuwe medewerker een rondleiding door het gebouw.

They gave us an extra day to finish the report.

Ze gaven ons een extra dag om het rapport af te maken.

Has anyone given you the Wi-Fi password yet?

Heeft iemand je het wifiwachtwoord al gegeven?

We're giving the kitchen a fresh coat of paint this weekend.

We geven de keuken dit weekend een nieuwe verflaag.

In eenvoudige vragen en ontkenningen gebruikt give do-support: Does she give …?, didn't give. Na does en did staat de kale vorm. In de perfect draagt have de grammaticale tijd: Have they given …? Zie ook onregelmatige verleden vormen.

Twee objecten: give someone something

Wanneer de ontvanger kort en al bekend is, staat die vaak direct na give. Daarna volgt wat er wordt overgedragen:

give + ontvanger + zaak

Could you give me a minute to think?

Kun je me een minuut geven om na te denken?

The receptionist gave the visitors their badges.

De receptionist gaf de bezoekers hun badges.

I'll give you my new address before I move.

Ik geef je mijn nieuwe adres voordat ik verhuis.

Dit heet een dubbel-objectconstructie. Beide naamwoordgroepen functioneren zonder voorzetsel, maar hun volgorde ligt vast: eerst de ontvanger, dan de zaak. Nederlandse zinnen kunnen met aan of met een voornaamwoord worden opgebouwd, maar geven je geen betrouwbare Engelse woordvolgorde. Vergelijk de uitgebreidere uitleg bij werkwoorden met twee objecten.

Een voornaamwoord dat de gegeven zaak vervangt, staat normaal niet achter een ontvanger in dit patroon. Give it to me is natuurlijk; give me it klinkt in algemeen Amerikaans Engels afwijkend of regionaal. Bij twee volledige naamwoordgroepen kan de informatieverdeling de keuze sturen: een korte, bekende ontvanger komt gemakkelijk eerst; een lange of nieuwe ontvanger vaak na to.

💡
Leer niet alleen give = geven, maar twee volledige frames: give someone something en give something to someone. De betekenis blijft vaak gelijk, maar de vorm en informatieverdeling veranderen.

De to-dative: give something to someone

In het tweede patroon staat eerst de gegeven zaak. De ontvanger wordt vervolgens ingeleid door to:

give + zaak + to + ontvanger

Please give the signed form to the front desk.

Geef het ondertekende formulier alstublieft aan de receptie.

Maya gave her spare ticket to a student waiting outside.

Maya gaf haar reservekaartje aan een student die buiten stond te wachten.

Who did you give the keys to?

Aan wie heb je de sleutels gegeven?

De to-constructie is bijzonder natuurlijk wanneer de zaak een kort voornaamwoord is (give it to Sam), wanneer de ontvanger lang is, of wanneer je de ontvanger als nieuwe of contrasterende informatie aan het einde wilt plaatsen. In een gewone vraag mag to aan het einde blijven. To whom did you give the keys? is grammaticaal maar (formal).

Niet elke uitdrukking met give wisselt vrij tussen beide patronen. Give someone a kiss/a hug/a call is zeer gebruikelijk; give a kiss to someone is mogelijk maar legt eerder nadruk op de kus als afzonderlijke handeling. Vaste combinaties moet je daarom als geheel leren.

Meer dan tastbare overdracht

Het directe object van give is vaak abstract. Veelvoorkomende combinaties zijn give advice, give permission, give an answer, give a speech, give someone a chance, give someone a hand en give someone a call. Nederlands kiest geregeld een ander werkwoord: advies geven, maar ook toestemming verlenen, een toespraak houden en iemand bellen.

The pharmacist gave me clear advice about the dosage.

De apotheker gaf me duidelijk advies over de dosering.

I'll give you a call when the train gets in.

Ik bel je wanneer de trein aankomt. (informal)

Would you give me a hand with this table?

Wil je me even helpen met deze tafel? (informal)

The board has given us permission to publish the findings.

Het bestuur heeft ons toestemming gegeven om de bevindingen te publiceren.

Give + object + complement kan ook betekenen dat iets een effect veroorzaakt: give someone hope, give me a headache, give the room character. Hier verandert niets letterlijk van eigenaar; de abstracte overdrachtsstructuur blijft wel herkenbaar.

That flickering light is giving me a headache.

Van dat flikkerende licht krijg ik hoofdpijn.

Give is in zijn kernbetekenissen dynamisch. De progressive past bij een lopende of tijdelijke activiteit: They're giving out samples. Bij gewoonten en vaste eigenschappen staat meestal de simple: This window gives a clear view of the garden. Het idiomatische I give up benoemt een beslissing en staat vaak in de simple, hoewel I'm giving up sugar for a month een gepland of tijdelijk proces kan beschrijven.

Scheidbare combinaties met partikels

Bij veel partikelwerkwoorden met give kan een naamwoordelijk object vóór of na het partikel staan, maar een onbeklemtoond objectvoornaamwoord moet ertussen. Dit is een syntactisch verschil met een gewoon voorzetsel.

CombinatieKernbetekenisObjectplaatsing
give backteruggevengive the book back / give back the book / give it back
give awayweggeven; een geheim verradengive the clothes away / give away the clothes / give them away
give outuitdelengive the forms out / give out the forms / give them out
give upopgeven; stoppen metgive the habit up / give up the habit / give it up

I borrowed Elena's umbrella, so I need to give it back tomorrow.

Ik heb Elena's paraplu geleend, dus ik moet hem morgen teruggeven.

They're giving away the old office furniture.

Ze geven het oude kantoormeubilair weg.

Could you give these forms out before the meeting starts?

Kun je deze formulieren uitdelen voordat de vergadering begint?

Bij give up + -ing betekent give up “ophouden met”: give up smoking. De -ing-vorm is dan het complement van het hele partikelwerkwoord. Give in “toegeven” is daarentegen meestal onovergankelijk en dus niet scheidbaar: They finally gave in. Een systematisch overzicht staat bij phrasal verbs met give en scheidbare partikelwerkwoorden.

💡
Test de scheidbaarheid met een kort voornaamwoord: give it back, give it away, give it up. Staat it natuurlijk vóór het partikel, dan heb je een scheidbare combinatie.

Veelgemaakte fouten

1. De past participle verwarren met de simple past

❌ She has gave me the receipt.

Onjuist: na has is de past participle given nodig.

✅ She has given me the receipt.

Ze heeft me het bonnetje gegeven.

2. Na did nogmaals verleden tijd markeren

❌ Did they gave you a reason?

Onjuist: did draagt de verleden tijd; daarna volgt give.

✅ Did they give you a reason?

Hebben ze je een reden gegeven?

3. To gebruiken in het dubbel-objectpatroon

❌ Please give to me the menu.

Onnatuurlijke woordvolgorde: kies give me the menu of give the menu to me.

✅ Please give me the menu.

Geef me alstublieft de menukaart.

4. Een objectvoornaamwoord na het partikel zetten

❌ I need to give back it today.

Onjuist: een kort voornaamwoord staat tussen give en back.

✅ I need to give it back today.

Ik moet het vandaag teruggeven.

5. Advice als telbaar enkelvoud behandelen

❌ My supervisor gave me an advice.

Onjuist: advice is niet-telbaar in het Engels.

✅ My supervisor gave me some advice.

Mijn leidinggevende gaf me advies.

Kernpunten

  • De vijf slots zijn give, gives, gave, given, giving; gave en given zijn niet uitwisselbaar.
  • Gebruik give someone something of give something to someone; bij it/them als zaak is het to-patroon normaal.
  • Give combineert vaak met abstracte objecten: give advice, permission, a call, a hand.
  • Veel partikelcombinaties zijn scheidbaar: give it back/away/out/up, nooit give back it.
  • Sla vorm, uitspraak, valentie, collocatie en register als één lemma-pakket op.

Related Topics

  • Werkwoorden met twee objectenB1Leer wanneer Engelse werkwoorden een ontvanger en een zaak als twee objecten kunnen uitdrukken en wanneer een to-constructie verplicht is.
  • Volgorde van direct en indirect objectB1Kies tussen het dubbele-objectpatroon en een to-bepaling op basis van werkwoord, informatieverdeling en lengte.
  • Scheidbare partikelwerkwoordenB1Leer waar naamwoorden en voornaamwoorden staan bij scheidbare combinaties als turn off, pick up en write down.
  • Partikelwerkwoorden met giveA2Leer hoe give up, give in, give away, give back en give out verschillen in betekenis en objectplaatsing.
  • Onregelmatige past simpleA2Leer veelvoorkomende onregelmatige past-vormen herkennen en onthouden via vormfamilies en natuurlijke context.