Grow betekent zowel groeien als kweken/telen. Het werkwoord wisselt dus tussen een onovergankelijk patroon (The tomatoes are growing) en een overgankelijk patroon (We grow tomatoes). Daarnaast kan grow + bijvoeglijk naamwoord een geleidelijke verandering benoemen, en correspondeert Nederlands opgroeien met het partikelwerkwoord grow up. De onregelmatige reeks is grow–grew–grown.
De vijf vormslots en de uitspraak
| Slot | Vorm | Uitspraak (algemeen Amerikaans) |
|---|---|---|
| base / kale infinitief | grow | /ɡroʊ/ |
| 3e persoon enkelvoud | grows | /ɡroʊz/ |
| past | grew | /ɡruː/ |
| past participle | grown | /ɡroʊn/ |
| present participle / gerund | growing | /ˈɡroʊɪŋ/ |
De simple past is grew, niet growed en niet grown. Grown heeft in een perfect have/has/had nodig. De spelling growing behoudt de w; er wordt geen extra medeklinker toegevoegd.
These herbs grow well on a sunny windowsill.
Deze kruiden groeien goed op een zonnige vensterbank.
Our small team grew quickly last year.
Ons kleine team groeide vorig jaar snel.
The company has grown steadily since 2022.
Het bedrijf is sinds 2022 gestaag gegroeid.
What are you growing in that raised bed?
Wat kweek je in die verhoogde plantenbak?
Present, past en perfect in drie zinstypen
Na do, does en did staat altijd de kale vorm grow. Alleen de bevestigende simple past gebruikt grew. Het perfect gebruikt have/has + grown, ook wanneer Nederlands is gegroeid zegt.
| Tijd | Bevestiging | Ontkenning | Vraag |
|---|---|---|---|
| simple present | It grows fast. | It doesn't grow here. | Does it grow here? |
| simple past | It grew fast. | It didn't grow much. | Did it grow last year? |
| present perfect | It has grown fast. | It hasn't grown much. | Has it grown since May? |
Does lavender grow well in this climate?
Groeit lavendel goed in dit klimaat?
The seedlings didn't grow during the cold week.
De zaailingen zijn tijdens de koude week niet gegroeid.
Has your son grown much since last summer?
Is je zoon sinds vorige zomer veel gegroeid?
De simple present benoemt een algemene eigenschap of terugkerend proces. De simple past begrenst de groei in een afgesloten verleden periode. De present perfect verbindt de verandering met nu, vaak met since of over the past....
Onovergankelijk grow: iets groeit zelf
In het onovergankelijke patroon ondergaat het onderwerp de groei. Planten, kinderen, haar, bedrijven, aantallen en gevoelens kunnen allemaal grow. Er staat geen direct object en Engels gebruikt geen wederkerend voornaamwoord: The plant grows, niet grows itself.
The children are growing so fast that their shoes barely last a season.
De kinderen groeien zo snel dat hun schoenen nauwelijks één seizoen meegaan.
Demand for evening trains has grown in recent months.
De vraag naar avondtreinen is de afgelopen maanden toegenomen.
Bij een meetbaar verschil kan grow by + hoeveelheid de toename noemen en grow to + eindwaarde de uitkomst. Sales grew by ten percent to $2 million bevat beide perspectieven. Dit patroon komt veel voor in zakelijke en formele rapportage (formal).
Online sales grew by twelve percent in the final quarter.
De onlineverkoop groeide in het laatste kwartaal met twaalf procent.
Overgankelijk grow: iemand kweekt of laat groeien
In het overgankelijke patroon veroorzaakt het onderwerp de groei van het object. Bij planten en landbouw betekent het kweken/telen: grow tomatoes, grow wheat, grow flowers. Bij lichaamsbeharing betekent het dat je die laat groeien: grow a beard, grow your hair.
We grow tomatoes and peppers in the backyard.
We kweken tomaten en paprika's in de achtertuin.
He's growing his hair long so he can donate it to a charity.
Hij laat zijn haar lang groeien zodat hij het aan een goed doel kan doneren.
Bij ondernemingen, markten en publieksgroepen is transitief grow a business, grow the economy, grow an audience gebruikelijk in zakelijke taal (formal). In gewone taal kan expand, increase of build soms preciezer zijn. De causatieve betekenis is wel standaard: het object groeit door handelen van het onderwerp.
The workshop helped local designers grow their businesses.
De workshop hielp plaatselijke ontwerpers hun bedrijven te laten groeien.
Hetzelfde zelfstandig naamwoord kan dus van rol wisselen. In The business grew ondergaat het bedrijf de verandering; in They grew the business veroorzaken they die verandering. Die wisseling heet een overgankelijk-onovergankelijke alternatie.
Grow + bijvoeglijk naamwoord: geleidelijk worden
Als koppelwerkwoord betekent grow geleidelijk worden. Het wordt gevolgd door een predicatief bijvoeglijk naamwoord, niet door een bijwoord. Veelvoorkomende combinaties zijn grow old, grow tired, grow impatient, grow quiet, grow stronger, grow dark. Het werkwoord belicht het proces, terwijl be alleen een toestand noemt.
The room grew quiet when the results appeared on the screen.
Het werd stil in de zaal toen de uitslagen op het scherm verschenen.
I'm growing tired of having the same discussion every week.
Ik begin het zat te worden om iedere week dezelfde discussie te voeren.
Her voice grew stronger as the speech continued.
Haar stem werd krachtiger naarmate de toespraak vorderde.
Niet ieder adjectief combineert even natuurlijk met grow. De constructie komt vooral voor bij geleidelijke veranderingen in fysieke toestand, emotie, licht, geluid of intensiteit. Grow available en grow ready klinken niet natuurlijk; gebruik daar become available en become ready. Deze collocatiebeperking moet gedeeltelijk als woordenschat worden geleerd.
Grow to + infinitive beschrijft eveneens een geleidelijke mentale of emotionele ontwikkeling: grow to understand, grow to love, grow to appreciate. Dit klinkt bedachtzamer dan eenvoudig start to en is neutraal, al past het bijzonder goed in beschouwende en verhalende contexten.
I grew to appreciate the neighborhood after living there for a few months.
Nadat ik er een paar maanden had gewoond, begon ik de buurt steeds meer te waarderen.
Zie werkwoordreferentie: become voor het algemenere werkwoord van toestandsverandering.
Grow up: opgroeien en volwassen worden
Grow up is onovergankelijk en betekent opgroeien of volwassen worden. Een plaats waar iemand zijn jeugd doorbracht volgt met in, near, outside of een andere plaatsbepaling: grow up in Utrecht. De persoon die een kind opvoedt, raises dat kind; die persoon grows the child niet.
I grew up in a small town near the German border.
Ik ben opgegroeid in een kleine plaats bij de Duitse grens.
What did you want to be when you grew up?
Wat wilde je later worden?
Grow zonder up kan vooral lichamelijke groei beschrijven; grow up omvat het hele proces naar volwassenheid. Vergelijk The puppy grew quickly (werd snel groter) met The puppy grew up around children (bracht zijn jonge jaren tussen kinderen door).
Als gebiedende wijs betekent Grow up! dat iemand zich volwassener moet gedragen. Dat is informeel en vaak kleinerend (informal). Grown-up is als bijvoeglijk naamwoord volwassen en als zelfstandig naamwoord een informeel alternatief voor adult (informal).
Oh, grow up and admit that you made a mistake.
Gedraag je toch eens volwassen en geef toe dat je een fout hebt gemaakt. (informeel en kleinerend)
Andere partikelcombinaties bestaan, zoals grow out of voor te groot worden voor kleding of een gewoonte ontgroeien. Hun uitgebreidere betekenissen vallen buiten deze kernreferentie.
Grow, raise en become
Nederlands groeien correspondeert meestal met onovergankelijk grow. Nederlands kweken/telen kan transitief grow worden. Bij kinderen betekent opvoeden echter raise in Amerikaans Engels of bring up; grow beschrijft wat het kind zelf doet.
| Bedoeling | Natuurlijk Engels | Rol van het onderwerp |
|---|---|---|
| de plant wordt groter | The plant grows. | ondergaat groei |
| iemand kweekt planten | She grows plants. | veroorzaakt groei |
| een kind wordt volwassen | The child grows up. | groeit op |
| iemand voedt een kind op | They raise a child. | verzorgt en vormt |
| iets wordt beschikbaar | It becomes available. | verandert van toestand |
Aspect en het participle grown
Groei is een proces, waardoor progressive vormen heel gewoon zijn: The city is growing. Bij statische beschrijvingen kan grown adjectivisch zijn. Locally grown vegetables zijn groenten die lokaal zijn geteeld; a fully grown dog is een volgroeide hond. Adjectivisch grown heeft dezelfde vorm als het past participle; het is nooit de simple past.
The town is growing faster than its public transport network.
De plaats groeit sneller dan het openbaarvervoersnetwerk.
The restaurant uses locally grown vegetables.
Het restaurant gebruikt lokaal geteelde groenten.
Veelgemaakte fouten
1. Grow regelmatig vervoegen
❌ The company growed quickly last year.
Onjuist: de simple past van grow is grew.
✅ The company grew quickly last year.
Het bedrijf groeide vorig jaar snel.
2. Grown als zelfstandige simple past gebruiken
❌ My nephew grown a lot last summer.
Onjuist: grown is het participle en heeft have nodig.
✅ My nephew grew a lot last summer.
Mijn neefje is vorige zomer flink gegroeid.
3. Het Nederlandse hulpwerkwoord zijn kopiëren
❌ The town is grown rapidly since 2020.
Onjuist voor een actief perfect: Engels gebruikt have + grown.
✅ The town has grown rapidly since 2020.
De plaats is sinds 2020 snel gegroeid.
4. Grow gebruiken voor een kind opvoeden
❌ They grew three children in Chicago.
Onjuist voor opvoeden: gebruik raise; grow zou het kind als gekweekt product voorstellen.
✅ They raised three children in Chicago.
Ze hebben in Chicago drie kinderen grootgebracht.
5. Up weglaten bij opgroeien
❌ I grew in Rotterdam and moved away at eighteen.
Misleidend als de plaats van je jeugd bedoeld is: gebruik grow up.
✅ I grew up in Rotterdam and moved away at eighteen.
Ik groeide op in Rotterdam en verhuisde op mijn achttiende.
Kernpunten
- De vijf slots zijn grow–grows–grew–grown–growing.
- Onovergankelijk grow betekent dat het onderwerp zelf groeit; transitief grow betekent dat het onderwerp iets kweekt of laat groeien.
- Grow + bijvoeglijk naamwoord beschrijft een geleidelijke verandering, maar alleen met natuurlijke collocaties.
- Grow up betekent opgroeien; een ouder raises een kind.
- Engels gebruikt has grown waar Nederlands vaak is gegroeid gebruikt.
Related Topics
- Onregelmatige past simpleA2 — Leer veelvoorkomende onregelmatige past-vormen herkennen en onthouden via vormfamilies en natuurlijke context.
- Overgankelijke en onovergankelijke werkwoordenB1 — Leer welke Engelse werkwoorden een direct object toelaten, welke zonder object staan en hoe dezelfde vorm oorzaak of verandering kan uitdrukken.
- Overzicht van partikelwerkwoordenA2 — Leer hoe Engelse werkwoorden met partikels één betekeniseenheid vormen en hoe betekenis, klemtoon en zinsbouw elkaar aanvullen.
- Werkwoordreferentie: becomeA2 — Leer become–became–become als koppelwerkwoord voor verandering, met het contrast tussen become, get en passief be.
- Werkwoordreferentie: changeA2 — Leer change transitief en onovergankelijk gebruiken, met change into, change to, vaste combinaties, uitspraak en aspect.
- Werkwoordreferentie: buildA2 — Leer build–built–built, natuurlijke objectpatronen, het veelgebruikte passief en building als telbaar zelfstandig naamwoord.