Usages of Tom
Jij bent Tom.
You are Tom.
Tom drinkt water.
Tom drinks water.
Ik ga morgen met Tom lopen in het park.
I am going to walk with Tom tomorrow in the park.
Tom heeft de deur open gelaten voor de kat.
Tom has left the door open for the cat.
Jij en Tom spreken samen over het nieuwe boek.
You and Tom talk together about the new book.
Misschien roep ik Tom, zodat hij zijn sleutel ook kan opbergen.
Maybe I will call out to Tom, so that he can also store away his key.
Hij geeft Tom een boek.
He gives Tom a book.
Anna en Tom gaan naar een feestje.
Anna and Tom are going to a party.
Anna deelt haar boek met Tom.
Anna shares her book with Tom.
Tom ziet zijn vriendin in het park.
Tom sees his girlfriend in the park.
Anna en Tom komen samen naar huis.
Anna and Tom come home together.
Tom spreekt met een zachte stem, zodat hij niemand stoort.
Tom speaks in a soft voice so that he doesn't bother anyone.
Gast spreekt met Tom.
Guest speaks with Tom.
Tom draagt een mooie jas.
Tom wears a beautiful coat.
Tom koopt een croissant op de markt.
Tom buys a croissant at the market.
Tom heeft een afspraak met zijn vriendin.
Tom has an appointment with his girlfriend.
Tom fietst voorzichtig naar school.
Tom bikes carefully to school.
Ik wacht op Tom.
I wait for Tom.
Volgens Tom is de tuin mooi.
According to Tom, the garden is beautiful.
Tom kijkt naar een mooie scène.
Tom watches a beautiful scene.
Anna volgt Tom naar school.
Anna follows Tom to school.
Tom beklimt de berg snel.
Tom climbs the mountain quickly.
Anna lacht met Tom.
Anna laughs with Tom.
Anna zit bij Tom.
Anna sits with Tom.
Tom leest een interessant boek.
Tom reads an interesting book.
Anna en Tom gaan naar het muziekfestival.
Anna and Tom are going to the music festival.
Tom toont zijn auto.
Tom shows his car.
Tom luncht graag in het park.
Tom likes to have lunch in the park.
Tom houdt ervan om kruiden toe te voegen wanneer hij kookt; hij gebruikt graag rozemarijn en basilicum.
Tom likes to add spices when he cooks; he likes to use rosemary and basil.
Tom vindt fietsen handig.
Tom finds cycling handy.
Tom kookt een maaltijd met basilicum.
Tom cooks a meal with basil.
Tom eet te veel brood.
Tom eats too much bread.
Tom eet ongezond brood.
Tom eats unhealthy bread.
Tom vindt gezouten brood erg lekker.
Tom finds salted bread very tasty.
Tom weigert een appartement in het centrum te zoeken, omdat hij tevreden is met zijn huidige plek.
Tom refuses to look for an apartment in the center, because he is satisfied with his current place.
Ik wil mijn mening met Tom delen, want hij waardeert andere ideeën vaak.
I want to share my opinion with Tom, because he often appreciates other ideas.
Anna en Tom praten over het feest.
Anna and Tom talk about the party.
Tom leest het document.
Tom reads the document.
Tom speelt in de wedstrijd.
Tom plays in the match.
Tom wint de wedstrijd.
Tom wins the match.
Tom reageert op de brief.
Tom reacts to the letter.
Tom leert stap voor stap koken.
Tom learns to cook step by step.
Tom geeft instructie in koken.
Tom gives instruction in cooking.
Tom fietst vrij langzaam in het park.
Tom bikes quite slowly in the park.
Tom drinkt een lekker drankje.
Tom drinks a tasty drink.
Tom introduceert een boek.
Tom introduces a book.
Tom praat vriendelijk met Anna.
Tom speaks kindly with Anna.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.