het boek

Usages of het boek

Ik heb een boek.
I have a book.
Jij hebt ook een boek.
You also have a book.
Wij lezen een boek.
We read a book.
Wij lezen ook een boek.
We also read a book.
Anna leest een boek.
Anna reads a book.
Gisteren hebben wij een nieuw boek gelezen.
Yesterday we read a new book.
Dat boek is heel mooi.
That book is very beautiful.
Hij en Sofie lezen samen een boek.
He and Sofie are reading a book together.
Wij hebben al een boek gelezen.
We have already read a book.
Ja, ik heb al een boek gelezen.
Yes, I have already read a book.
Anna leest veel boeken.
Anna reads a lot of books.
Ik pak een boek om te lezen.
I grab a book to read.
Ik wil eerst mijn boek lezen.
I want to read my book first.
Ik wil nog een boek lezen.
I want to read another book.
Wij lezen een boek na het werk.
We read a book after work.
Ik lees veel boeken zodat ik beter kan schrijven.
I read a lot of books so that I can write better.
Jij en Tom spreken samen over het nieuwe boek.
You and Tom talk together about the new book.
Zodra wij klaar zijn met onze maaltijd, zullen wij het boek lezen.
As soon as we are done with our meal, we will read the book.
Mijn zus leest een boek.
My sister reads a book.
Ik wil nu graag een boek lezen.
I would like to read a book now.
Wij zoeken samen naar het boek dat op de tafel lag.
We are looking together for the book that was on the table.
De appel ligt op de tafel naast het boek.
The apple is lying on the table next to the book.
Zal jij jouw boek lezen na het avondeten?
Will you read your book after dinner?
Ik blijf liever thuis en lees een boek.
I prefer to stay home and read a book.
Ik lees graag thuis een boek.
I like to read a book at home.
Hoewel het boek soms saai lijkt, wil ik het toch graag lezen.
Although the book sometimes seems boring, I still want to read it.
Ik herinner me de keer dat wij samen een boek lazen.
I remember the time we read a book together.
Ik herinner me dat het moeilijk is om een boek te lezen als ik moe ben.
I remember that it is difficult to read a book when I am tired.
Mijn nicht en ik spreken over een bijzonder boek dat we vorig jaar gezamenlijk lazen.
My niece and I talk about a special book that we read together last year.
Ik zou graag doorgaan met het lezen van dat boek, maar ik heb nu een ander verzoek gekregen.
I would like to continue reading that book, but I have now received another request.
Ik moet mijn eigen boek lezen.
I have to read my own book.
Ik lees rustig een boek in de tuin.
I read a book calmly in the garden.
Hij geeft Tom een boek.
He gives Tom a book.
In de lente lezen wij een boek in de tuin.
In the spring we read a book in the garden.
Ik leg het boek in de kast.
I put the book in the cupboard.
Ik lees urenlang een boek.
I read a book for hours.
Ik wil juist nu een boek lezen.
I want to read a book right now.
Het boek bevalt mij.
I like the book.
Ik lees online een boek.
I read a book online.
Anna deelt haar boek met Tom.
Anna shares her book with Tom.
Ik leg het boek op de tafel.
I put the book on the table.
Ik lees een boek over de geschiedenis van Nederland.
I am reading a book about the history of the Netherlands.
Ik vul de kast met boeken.
I fill the cupboard with books.
De klant koopt een boek.
The customer buys a book.
Anna leest hardop een boek.
Anna reads a book aloud.
Anna laat haar boek zien.
Anna shows her book.
Ik zoek naar antwoord in een boek.
I look for an answer in a book.
Het boek is ingewikkeld.
The book is complicated.
Het boek ligt hoog in de kast.
The book lies high in the cupboard.
Elk boek is mooi.
Each book is beautiful.
Tom leest een interessant boek.
Tom reads an interesting book.
Ik kan mijn boek nergens vinden, dus ik moet meer geduld hebben.
I can’t find my book anywhere, so I need to have more patience.
Bezoeker leest een boek.
The visitor reads a book.
Ik heb twee boeken.
I have two books.
Is dat dikke boek nu een handig boekje geworden, of vindt u het nog steeds te ingewikkeld?
Has that thick book now become a convenient little book, or do you still find it too complicated?
Wij maken een verkleinwoord van een boek.
We make a diminutive of a book.
Ik heb drie boeken.
I have three books.
Het boek is dun.
The book is thin.
Ik heb vijf boeken.
I have five books.
De klant koopt een boek in de winkel.
The customer buys a book in the shop.
Houd het boek vast, dan kunnen we straks even overleggen over de inhoud.
Hold the book tight, then we can discuss the contents later.
De inhoud van het boek is boeiend.
The content of the book is fascinating.
Wij lezen een boek over de fantasiewereld.
We read a book about the fantasy world.
Wij dragen de boeken in de auto.
We carry the books in the car.
Ik koop contant een boek.
I buy a book in cash.
Tom introduceert een boek.
Tom introduces a book.
Het boek past in de kast.
The book fits in the cupboard.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.

Start learning Dutch now