Usages of gaan
Ik ga leren.
I am going to learn.
Wij gaan morgen naar school.
We are going to school tomorrow.
Hij gaat morgen leren koken.
He is going to learn to cook tomorrow.
Wij gaan in het weekend naar een nieuw huis.
We are going to a new house this weekend.
Wij gaan naar school en spreken met onze vriendin.
We are going to school and speaking with our (female) friend.
Ik ga morgen met Tom lopen in het park.
I am going to walk with Tom tomorrow in the park.
Hij gaat eten koken voor zijn vriendin.
He is going to cook food for his girlfriend.
Morgen ga ik weer leren, want de school is open.
Tomorrow I am going to learn again, because the school is open.
Ik ga morgen een tafel kopen.
I am going to buy a table tomorrow.
Hij gaat weer in het park lopen.
He is going to walk in the park again.
Het meisje gaat morgen naar de winkel om groenten en fruit te kopen.
The girl is going to the store tomorrow to buy vegetables and fruit.
Morgen gaan we samen naar de markt, want we moeten een nieuw tafelkleed kopen.
Tomorrow we're going to the market together, because we have to buy a new tablecloth.
Na mijn werk ga ik muziek spelen met mijn familie om te ontspannen.
After my work, I’m going to play music with my family to relax.
Vandaag gaan wij naar de markt om groenten te kopen.
Today we are going to the market to buy vegetables.
Ik ga straks naar de markt om groenten te kopen.
I am going to the market soon to buy vegetables.
Het is handig om in het weekend naar de markt te gaan.
It is useful to go to the market on the weekend.
Ik ga later naar de markt.
I am going to the market later.
Wij zullen snel naar de winkel gaan om brood te kopen.
We will quickly go to the store to buy bread.
Wij willen vroeg opstaan, zodat wij naar de markt kunnen gaan.
We want to get up early so that we can go to the market.
Voordat ik me aankleed om naar het postkantoor te gaan, was ik me en controleer ik of we nog een zegel hebben.
Before I get dressed to go to the post office, I wash myself and check if we still have a stamp.
Ik ga naar het kantoor om te werken.
I am going to the office to work.
De vrienden gaan morgen naar het park.
The friends are going to the park tomorrow.
Wij plannen om in het weekend naar de winkel te gaan.
We plan to go to the store on the weekend.
Ik verslaap me regelmatig als ik ’s avonds te laat naar bed ga.
I oversleep regularly when I go to bed too late in the evening.
Daarom moet ik mijn kamer snel opruimen voordat ik naar mijn werk ga.
That’s why I have to tidy up my room quickly before I go to work.
Overmorgen ga ik met mijn zussen naar de tandarts voor een controle.
The day after tomorrow, I am going to the dentist with my sisters for a check-up.
Mijn tandarts zou binnenkomen in ons huis als ik hem dat zou uitleggen, maar ik ga liever naar de praktijk.
My dentist would come in to our house if I explained that to him, but I prefer going to the practice.
Overmorgen gaan mijn zussen en ik eindelijk weer naar de markt om verse groenten te kopen.
The day after tomorrow my sisters and I are finally going to the market again to buy fresh vegetables.
Ik moest vaker naar het kantoor gaan.
I had to go to the office more often.
Wij gaan gezamenlijk naar het park om te ontspannen.
We are going to the park together to relax.
Mijn zus en ik gaan naar de praktijk voor een controle.
My sister and I go to the practice for a check-up.
De vergadering is voorbij en nu kunnen wij naar huis gaan.
The meeting is over and now we can go home.
Toen het regende, schudden wij het water van onze jassen voordat we naar binnen gingen.
When it rained, we shook the water off our coats before we went inside.
Ik besluit om met mijn nicht te gaan wandelen, want we willen sneller in conditie komen.
I decide to go walking with my niece because we want to get in shape faster.
Ik ga eerder naar school, want ik wil leren.
I am going to school earlier, because I want to learn.
Ik ga in de tuin afkoelen.
I am going to cool down in the garden.
Anna en Tom gaan naar een feestje.
Anna and Tom are going to a party.
Ik wil toch naar het park gaan om te ontspannen.
I still want to go to the park to relax.
Ik ga leren, ook al ben ik moe.
I am going to study, even though I am tired.
Ik ga in een stille kamer zitten om rustig te studeren.
I'm going to sit in a quiet room to study peacefully.
Ik ga morgen naar Nederland.
I am going to the Netherlands tomorrow.
Hij gaat even naar de winkel.
He is just going to the store.
Wij gaan volgende maand op vakantie en willen rustig ontspannen.
We are going on vacation next month and want to relax peacefully.
Neem een moment om uw ademhaling te controleren, zodat u niet te snel gaat.
Take a moment to check your breathing, so that you do not go too fast.
Ze gaat morgen naar school.
She goes to school tomorrow.
Wij gaan allemaal naar school.
We all go to school.
Anna en Tom gaan naar het muziekfestival.
Anna and Tom are going to the music festival.
Inpakken is leuk, want wij gaan op reis.
Packing is fun, because we are going on a trip.
Zij gaat de gordijnen openen om het raam te wassen.
She is going to open the curtains to wash the window.
Wij gaan samen tekenen in de tuin, want we willen mooie tekeningen maken.
We are going to draw together in the garden, because we want to make beautiful drawings.
Wij gaan naar de tweede verdieping voor onze vergadering, want de eerste verdieping is al bezet.
We are going to the second floor for our meeting, because the first floor is already occupied.
Ik ga afwassen na het eten.
I am going to wash the dishes after dinner.
Ik ben tevreden met ons besluit om binnenkort samen op reis te gaan.
I am satisfied with our decision to go on a trip together soon.
Ik zou weigeren om met de auto te gaan, juist omdat ik niet afhankelijk wil zijn van brandstof.
I would refuse to go by car, precisely because I do not want to be dependent on fuel.
Ik gebruik vervoer om naar school te gaan.
I use transport to go to school.
Ik ga verder lezen.
I am going to continue reading.
Ga linksaf bij deze straat en loop dan rechtdoor tot je het park ziet.
Turn left at this street and then walk straight ahead until you see the park.
Soms is rechtdoor lopen sneller, maar linksaf gaan kan leuker zijn voor het uitzicht.
Sometimes walking straight ahead is faster, but turning left can be nicer for the view.
Als u straks naar de apotheek wilt gaan, neem dan uw recept goed mee.
If you want to go to the pharmacy later, then be sure to bring your prescription.
Ik ga rechtsaf bij de winkel.
I go right at the shop.
Wij gaan naar het zwembad.
We are going to the swimming pool.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.