Usages of geven
Hij gebruikt rode verf om de muur een frisse kleur te geven.
He uses red paint to give the wall a fresh color.
Hij geeft Tom een boek.
He gives Tom a book.
Wij geven morgen zelf een rondleiding aan nieuwe studenten.
Tomorrow, we ourselves will give a tour to new students.
Ik geef mijn moeder een klein cadeautje voor haar verjaardag.
I give my mother a small gift for her birthday.
Geef mij de sleutel, alstublieft.
Give me the key, please.
De professional geeft advies.
The professional gives advice.
Tom geeft instructie in koken.
Tom gives instruction in cooking.
De kassamedewerker gaf me te weinig wisselgeld, dus ik vroeg om het juiste bedrag.
The cashier gave me too little change, so I asked for the correct amount.
Die poster geeft de kamer een frisse uitstraling, vind je ook niet?
That poster gives the room a fresh look, don't you think so?
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.