| de rekenmachine |
| berekenen |
We calculate the price of the meal. | Wij berekenen de prijs van de maaltijd. |
I grab my calculator to quickly calculate the costs. | Ik pak mijn rekenmachine om snel de kosten te berekenen. |
to have something repaired | laten repareren |
I am having my computer repaired tomorrow. | Ik laat mijn computer morgen repareren. |
| de toets |
Tom is having his calculator repaired because one key doesn't work. | Tom laat zijn rekenmachine repareren, omdat een toets niet werkt. |
| de stroom |
| uitvallen |
If the internet goes out, we cannot learn online. | Als het internet uitvalt, kunnen we niet online leren. |
| niet meer |
I no longer use my phone during the meeting. | Ik gebruik mijn telefoon niet meer tijdens de vergadering. |
If the power goes out, the light in the kitchen no longer works. | Als de stroom uitvalt, werkt het licht in de keuken niet meer. |
| laten |
| de monteur |
| herstellen |
I am having the technician restore the power quickly. | Ik laat de monteur de stroom snel herstellen. |
| stoppen |
| het vlees |
Tom buys meat at the market. | Tom koopt vlees op de markt. |
| de vriezer |
We put the meat in the freezer so that it stays fresh longer. | We stoppen het vlees in de vriezer zodat het langer vers blijft. |
Because the old freezer is broken, Anna is having a new one delivered. | Omdat de oude vriezer kapot is, laat Anna een nieuwe bezorgen. |
| de factuur |
The store sends a digital invoice after every order. | De winkel stuurt een digitale factuur na elke bestelling. |
Check the invoice carefully before you pay, so you don't make a mistake. | Controleer de factuur goed voordat je betaalt, zodat je geen fout maakt. |
| opnemen |
| Ik neem de film op. |
| de video |
I watch a video on my phone. | Ik bekijk een video op mijn telefoon. |
Tom records a short video during the Dutch lesson. | Tom neemt een korte video op tijdens de les Nederlands. |
| de schooltas |
My schoolbag is heavy because there are three books in it. | Mijn schooltas is zwaar, want er zitten drie boeken in. |
| laten staan |
| de gang |
The door in the hallway is new. | De deur in de gang is nieuw. |
Leave your schoolbag in the hallway, then we have more space. | Laat je schooltas in de gang staan, dan hebben we meer ruimte. |
| de bestuurder |
A driver drives carefully through the narrow street. | Een bestuurder rijdt voorzichtig door de smalle straat. |
| netjes |
You place the books neatly on the table. | Jij legt de boeken netjes op de tafel. |
The car is in front of the house. | De auto staat voor het huis. |
| het zebrapad |
The driver stops neatly at the crosswalk. | De bestuurder stopt netjes voor het zebrapad. |
| de helm |
A helmet protects your head if you fall off your bike. | Een helm beschermt je hoofd als je op de fiets valt. |
| laten liggen |
Anna leaves her book in the park. | Anna laat haar boek in het park liggen. |
I'm leaving my new helmet in the store, because it is too big. | Ik laat mijn nieuwe helm in de winkel liggen, want hij is te groot. |
| het rijbewijs |
| de agent |
| erom vragen |
Anna shows her driving licence when the officer asks for it. | Anna laat haar rijbewijs zien wanneer de agent erom vraagt. |
| de metro |
I read a book on the subway. | Ik lees een boek in de metro. |
| het centrum |
We often bike to the centre. | Wij fietsen vaak naar het centrum. |
We take the subway to the centre because it's faster than walking. | Wij nemen de metro naar het centrum omdat het sneller is dan lopen. |
| de grootouder |
The grandparent reads a book in the garden. | De grootouder leest een boek in de tuin. |
| het terras |
We drink coffee on the terrace. | Wij drinken koffie op het terras. |
My grandparents drink coffee on the terrace every afternoon. | Mijn grootouders drinken elke middag koffie op het terras. |
I'll let my grandparents know when I arrive in the city. | Ik laat mijn grootouders weten wanneer ik in de stad aankom. |
| het kleinkind |
| de klas |
The teacher stands in front of the class. | De leraar staat voor de klas. |
The grandchild draws a sun on the board for the class. | Het kleinkind tekent een zon op het bord voor de klas. |
| de woordgrap |
Tom tells a pun in the park. | Tom vertelt een woordgrap in het park. |
His grandchild makes him laugh with a funny pun. | Zijn kleinkind laat hem lachen met een grappige woordgrap. |
| de verzekeraar |
My insurer will call me tomorrow. | Mijn verzekeraar belt mij morgen. |
| de schade |
| De schade is groot. |
Tom shows all the photos of the damage to the insurer. | Tom laat de verzekeraar alle foto’s van de schade zien. |
| de voorraad |
We always keep a small supply of water at home. | We houden altijd een kleine voorraad water in huis. |
| de voorraad |
I check the stock of bread in the cupboard. | Ik controleer de voorraad brood in de kast. |
| opraken |
The bread in the freezer is running out. | Het brood in de vriezer raakt op. |
| laten bezorgen |
I have bread delivered to my home. | Ik laat brood thuis bezorgen. |
| direct |
I call Anna immediately after work. | Ik bel Anna direct na het werk. |
If the stock runs out, I immediately have new bottles delivered. | Als de voorraad opraakt, laat ik direct nieuwe flessen bezorgen. |
| de melding |
My phone gives a notification when the battery is almost empty. | Mijn telefoon geeft een melding als de batterij bijna leeg is. |
Show me that notification for a moment, then I can help you. | Laat die melding even zien, dan kan ik je helpen. |
| gooien |
We throw the ball to him. | Wij gooien de bal naar hem. |
| de prullenbak |
| de grond |
The dog is lying on the ground. | De hond ligt op de grond. |
Throw the plastic in the trash can, not on the ground. | Gooi het plastic in de prullenbak, niet op de grond. |
| de vuilniswagen |
I hear the garbage truck early in the morning. | Ik hoor de vuilniswagen vroeg in de ochtend. |
Anna leaves the trash can outside until the garbage truck comes. | Anna laat de prullenbak buiten staan tot de vuilniswagen komt. |
| de kameel |
The camel seeks shade when it is very warm. | De kameel zoekt schaduw als het heel warm is. |
| dagenlang |
We have read in the garden for days. | Wij hebben dagenlang in de tuin gelezen. |
| de woestijn |
A camel can walk through the desert for days without water. | Een kameel kan dagenlang door de woestijn lopen zonder water. |
| het beeld |
The film shows beautiful images of the desert at sunset. | De film laat prachtige beelden van de woestijn zien bij zonsondergang. |
| de zonnebril |
If it is warm, I wear sunglasses outside. | Als het warm is, draag ik een zonnebril buiten. |
I wear sunglasses because the light is very bright. | Ik draag een zonnebril omdat het licht erg fel is. |
| het oosten |
| opkomen |
The sun rises in the morning. | In de ochtend komt de zon op. |
In the east the sun rises early in summer. | In het oosten komt de zon vroeg op in de zomer. |
| de kaart |
I need a map to find my way. | Ik heb een kaart nodig om de weg te vinden. |
The map shows which cities lie in the east of the country. | De kaart laat zien welke steden in het oosten van het land liggen. |
| het wandelen |
Walking in the morning is healthy. | Wandelen in de ochtend is gezond. |
| het ijsje |
| de kiosk |
The kiosk sells water and bread. | De kiosk verkoopt water en brood. |
After walking I get a cold ice cream at the kiosk. | Na het wandelen haal ik een koud ijsje bij de kiosk. |
| smelten |
The snow melts in the sun. | De sneeuw smelt in de zon. |
| opeten |
Tom eats up the croissant. | Tom eet de croissant op. |
Don't let your ice cream melt in the sun; eat it quickly. | Laat je ijsje niet smelten in de zon, eet het snel op. |
| oversteken |
Children may only cross at the crosswalk. | Kinderen mogen alleen oversteken bij het zebrapad. |
| de kelder |
I have a supply of water in the cellar. | Ik heb een voorraad water in de kelder. |
| groen |
The traffic light is green and we cross at the crosswalk. | Het stoplicht is groen en wij steken over het zebrapad. |
I cross the street when the traffic light is green. | Ik steek de straat over als het stoplicht groen is. |