Lesson 11

QuestionAnswer
the dishes
de afwas
I have to do the dishes after the meal.
Ik moet de afwas doen na het eten.
to work together
samenwerken
We must work together.
Wij moeten samenwerken.
My brother would like to help with the dishes, because he enjoys working together.
Mijn broer wil graag helpen met de afwas, omdat hij het leuk vindt om samen te werken.
the curtain
het gordijn
the window
het raam
She is going to open the curtains to wash the window.
Zij gaat de gordijnen openen om het raam te wassen.
the washing
het wassen
Washing is important.
Wassen is belangrijk.
to close
sluiten
I close the door.
Ik sluit de deur.
cold
koud
The water is cold.
Het water is koud.
After washing the window, she closes the curtains again, because it is getting cold.
Na het wassen van het raam sluit zij de gordijnen weer, want het wordt koud.
to ring
aanbellen
I have to ring the neighbor’s doorbell soon, because I have something important to ask.
Ik moet straks aanbellen bij de buurman, want ik heb iets belangrijks te vragen.
unfamiliar
onbekend
to enter
binnenkomen
When you want to enter an unfamiliar house, it is polite to ring the bell first.
Wanneer je bij een onbekend huis wilt binnenkomen, is het netjes om eerst aan te bellen.
the audiobook
het luisterboek
to go to sleep
gaan slapen
My sister listens to an audiobook every evening before going to sleep.
Mijn zus luistert elke avond naar een luisterboek voordat ze gaat slapen.
on my way
onderweg
When I am on my way to work, I like listening to an audiobook.
Als ik onderweg ben naar mijn werk, vind ik het leuk om naar een luisterboek te luisteren.
the drawing
de tekening
We are going to draw together in the garden, because we want to make beautiful drawings.
Wij gaan samen tekenen in de tuin, want we willen mooie tekeningen maken.
the detail
het detail
The detail is important.
Het detail is belangrijk.
to add
toevoegen
That drawing of the street already looks very good, but we can add more details.
Die tekening van de straat ziet er al heel goed uit, maar we kunnen nog meer details toevoegen.
the diminutive
het verkleinwoord
We make a diminutive of a book.
Wij maken een verkleinwoord van een boek.
the variant thereof
de variant daarvan
the booklet
het boekje
the little chair
het stoeltje
In Dutch, we form a diminutive by adding '-je' or a variant of it, for example 'boekje' or 'stoeltje'.
In het Nederlands maken we een verkleinwoord door '-je' of een variant daarvan toe te voegen, bijvoorbeeld 'boekje' of 'stoeltje'.
My chair is now a little chair, because it is for a child.
Mijn stoel is nu een stoeltje, omdat het voor een kind is.
the couch
de bank
Do you want to sit on this little chair, or rather on the big couch?
Wil je op dit stoeltje zitten, of liever op de grote bank?
the dishwasher
de afwasmachine
We have bought a dishwasher, so we can be done with the dishes faster.
We hebben een afwasmachine gekocht, zodat we sneller klaar zijn met de afwas.
handy
handig
relaxing
ontspannend
The music is relaxing.
De muziek is ontspannend.
the hand
de hand
He grabs my hand.
Hij pakt mijn hand.
to wash up
afwassen
Although the dishwasher is handy, I sometimes find it relaxing to do the dishes by hand.
Hoewel de afwasmachine handig is, vind ik het soms ontspannend om met de hand af te wassen.
the pillow
het kussen
thin
dun
The book is thin.
Het boek is dun.
thick
dik
the comfort
het comfort
I enjoy comfort in our house.
Ik geniet van comfort in ons huis.
My pillow is thin, but I would like to have a thick pillow for more comfort.
Mijn kussen is dun, maar ik zou graag een dik kussen willen hebben voor meer comfort.
I put the pillow on the couch.
Ik leg het kussen op de bank.
a bit
een beetje
The couch in the living room is very soft, but the pillow on it is a bit too thick.
De bank in de woonkamer is heel zacht, maar het kussen daarop is een beetje te dik.
to like
houden ervan
We like to bike in the park.
Wij houden ervan om in het park te fietsen.
the spice
het kruid
the rosemary
de rozemarijn
I make soup with rosemary.
Ik maak soep met rozemarijn.
the basil
het basilicum
Tom cooks a meal with basil.
Tom kookt een maaltijd met basilicum.
Tom likes to add spices when he cooks; he likes to use rosemary and basil.
Tom houdt ervan om kruiden toe te voegen wanneer hij kookt; hij gebruikt graag rozemarijn en basilicum.
sweet
zoet
The apple is sweet.
De appel is zoet.
really
erg
too much
te veel
Tom eats too much bread.
Tom eet te veel brood.
the sugar
de suiker
I drink warm tea with sugar.
Ik drink warme thee met suiker.
unhealthy
ongezond
Tom eats unhealthy bread.
Tom eet ongezond brood.
I find sweet foods really tasty, but too much sugar can be unhealthy.
Ik vind zoet eten erg lekker, maar te veel suiker kan ongezond zijn.
the dish
het gerecht
salted
gezouten
Tom finds salted bread very tasty.
Tom vindt gezouten brood erg lekker.
the potato
de aardappel
I eat a potato.
Ik eet een aardappel.
the flavor
de smaak
The food has a lot of flavor.
Het eten heeft veel smaak.
to soften
verzachten
Anna softens her words.
Anna verzacht haar woorden.
If the dish is too salted, you need to add more water or potatoes to soften the flavor.
Als het gerecht te gezouten is, moet je meer water of aardappelen toevoegen om de smaak te verzachten.
the floor
de verdieping
second
tweede
I come second.
Ik kom tweede.
occupied
bezet
The couch is occupied by Anna.
De bank is bezet door Anna.
We are going to the second floor for our meeting, because the first floor is already occupied.
Wij gaan naar de tweede verdieping voor onze vergadering, want de eerste verdieping is al bezet.
large
groot
right away
meteen
to start
beginnen
The film starts soon.
De film begint straks.
the discussion
de bespreking
On that floor, there is a large table, and we can start our discussion there right away.
Op die verdieping staat een grote tafel, en we kunnen daar meteen beginnen met onze bespreking.
later
straks
to vacuum
stofzuigen
the dust
het stof
Dust lies on the couch.
Stof ligt op de bank.
I will vacuum later, because there is a lot of dust on the floor.
Ik zal straks stofzuigen, want er ligt veel stof op de vloer.
the vacuum cleaner
de stofzuiger
the noise
het lawaai
I hear noise in the garden.
Ik hoor lawaai in de tuin.
all
alle
All people work together.
Alle mensen werken samen.
the crumb
de kruimel
The crumb is lying on the table.
De kruimel ligt op de tafel.
The vacuum cleaner makes a lot of noise, but it does suck up all the crumbs from the floor.
De stofzuiger maakt veel lawaai, maar hij zuigt wel alle kruimels van de vloer.
When I am done vacuuming, I put the vacuum cleaner in the cupboard.
Als ik klaar ben met stofzuigen, zet ik de stofzuiger in de kast.
the hanging up
het ophangen
The hanging up is finished.
Het ophangen is klaar.
please
alstublieft
Give me the key, please.
Geef mij de sleutel, alstublieft.
Could you help me hang up the curtains, please?
Kunt u mij helpen met het ophangen van de gordijnen, alstublieft?
the cup of coffee
het kopje koffie
to begin
beginnen
We begin the meeting.
Wij beginnen met de vergadering.
Would you also like a little cup of coffee before you start cooking?
Wilt u ook een kopje koffie voordat u begint met koken?
to pour
inschenken
I pour coffee.
Ik schenk koffie in.
to remain
blijven
I pour a small cup of coffee for you, so that you don’t remain thirsty.
Ik schenk een klein kopje koffie in voor u, zodat u niet dorstig blijft.
convenient
handig
the little book
het boekje
Sofie reads the little book in the garden.
Sofie leest het boekje in de tuin.
still
nog steeds
He still drinks water.
Hij drinkt nog steeds water.
Has that thick book now become a convenient little book, or do you still find it too complicated?
Is dat dikke boek nu een handig boekje geworden, of vindt u het nog steeds te ingewikkeld?
the mother
de moeder
My mother likes to read in the garden.
Mijn moeder leest graag in de tuin.
the gift
het cadeautje
I give my mother a small gift for her birthday.
Ik geef mijn moeder een klein cadeautje voor haar verjaardag.
just
alleen maar
the book
het boekje
I write a short story in my little book.
Ik schrijf een kort verhaal in mijn boekje.
surely
vast
You will surely come on time.
Jij komt vast op tijd.
happy
blij
Anna bikes happily to school.
Anna fietst blij naar school.
with it
ermee
That little gift is just a small book, but she will surely be happy with it.
Dat cadeautje is alleen maar een boekje, maar ze zal er vast blij mee zijn.
dark
donker
It is dark outside.
Het is donker buiten.
relaxing
rustgevend
The evening is relaxing.
De avond is rustgevend.
I keep drawing until it gets dark, because I find it very relaxing.
Ik blijf tekenen tot het donker wordt, want ik vind het erg rustgevend.
the cycling
het fietsen
I find cycling fun.
Ik vind het fietsen leuk.
Tom finds cycling handy.
Tom vindt fietsen handig.
the dinner
het eten
I am going to wash the dishes after dinner.
Ik ga afwassen na het eten.
the basil
de basilicum
We make the dish with basil and rosemary.
Wij maken het gerecht met basilicum en rozemarijn.
three
drie
I have three books.
Ik heb drie boeken.
My house has three floors.
Mijn huis heeft drie verdiepingen.
the lunch
de lunch
We eat lunch together.
Wij eten lunch samen.
After lunch, we have a short discussion.
Na de lunch hebben wij een korte bespreking.
the biking
het fietsen
I find biking along the river fun.
Ik vind het fietsen langs de rivier leuk.
Biking is convenient.
Fietsen is handig.