Usages of de tafel
Het nieuwe huis heeft een mooie deur en een oude tafel.
The new house has a beautiful door and an old table.
De nieuwe stoel staat naast de tafel.
The new chair is placed next to the table.
Ik ga morgen een tafel kopen.
I am going to buy a table tomorrow.
De kleding ligt op de tafel.
The clothing is lying on the table.
De notitie ligt op de tafel.
The note is lying on the table.
Er ligt geld op de tafel.
There is money on the table.
Ik pak één appel van de tafel.
I grab one apple from the table.
Hij zal de tafel niet aanraken omdat er veel geld op ligt.
He will not touch the table because there is a lot of money on it.
Wij zoeken samen naar het boek dat op de tafel lag.
We are looking together for the book that was on the table.
De appel ligt op de tafel naast het boek.
The apple is lying on the table next to the book.
Het voorwerp ligt op de tafel naast de appel.
The object is on the table next to the apple.
Voor het feest moeten we ons goed voorbereiden en de tafel mooi dekken.
For the party, we must prepare ourselves well and set the table nicely.
Ik zie het resultaat van ons onderzoek op de tafel.
I see the result of our research on the table.
Het kopje ligt op de tafel na het ontbijt.
The cup is lying on the table after breakfast.
De wekker staat op de tafel naast het bed.
The alarm clock is on the table next to the bed.
Bloemenvaas staat naast de tafel.
The flower vase stands next to the table.
Ik zet de sleutel op de tafel.
I put the key on the table.
Ik plaats de bloemen op de tafel.
I place the flowers on the table.
Ik leg het boek op de tafel.
I put the book on the table.
Pak het bestek en dek de tafel.
Pick up the cutlery and set the table.
Zet de kom op de tafel en vul hem met water.
Put the bowl on the table and fill it with water.
Wij dekken de tafel voor het feest.
We set the table for the party.
Op die verdieping staat een grote tafel, en we kunnen daar meteen beginnen met onze bespreking.
On that floor, there is a large table, and we can start our discussion there right away.
De kruimel ligt op de tafel.
The crumb is lying on the table.
Leg dat briefje op tafel en pak een zakdoek om je neus te snuiten als je verkouden bent.
Place that note on the table and grab a handkerchief to blow your nose if you're feeling a cold coming on.
Ik leg de doos naast de tafel.
I put the box next to the table.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.