| volgende |
Next time, we cook together. | Volgende keer koken wij samen. |
| de maand |
| Een maand heeft veel dagen. |
| de vakantie |
We are going on vacation next month and want to relax peacefully. | Wij gaan volgende maand op vakantie en willen rustig ontspannen. |
| meestal |
| langs |
| Ik loop langs het huis. |
| de rivier |
| de lucht |
On vacation, we usually walk along the river to feel the fresh air. | Op vakantie wandelen we meestal langs de rivier om de frisse lucht te voelen. |
| u |
| meegaan |
Will you come along with me to the party. | Wil jij met mij meegaan naar het feest. |
Do you also feel like coming along with us? | Hebt u ook zin om met ons mee te gaan? |
| het spel |
My friends and I often feel like playing a game during our vacation. | Mijn vrienden en ik hebben vaak zin om een spel te spelen tijdens onze vakantie. |
| deze |
| verschillend |
| communiceren |
He communicates with his friend. | Hij communiceert met zijn vriend. |
These different games help us communicate better with each other. | Deze verschillende spellen helpen ons om beter met elkaar te communiceren. |
| de regel |
| Ik schrijf een regel. |
Take your time to learn those different rules. | Neem rustig de tijd om die verschillende regels te leren. |
| het advies |
| de beslissing |
Would you like to hear my advice before you make a decision? | Wilt u mijn advies horen voordat u een beslissing neemt? |
| ingewikkeld |
| Het boek is ingewikkeld. |
I think this advice can help, because a decision is sometimes complicated. | Ik denk dat dit advies kan helpen, want een beslissing is soms ingewikkeld. |
| boodschappen doen |
| de supermarkt |
We have to do some shopping in the supermarket today for dinner. | Wij moeten vandaag boodschappen doen in de supermarkt voor het avondeten. |
| de bakkerij |
| Ik fiets naar de bakkerij. |
| waar |
In that supermarket, there is also a small bakery where we can buy fresh bread. | In die supermarkt is er ook een kleine bakkerij waar we vers brood kunnen kopen. |
| de buurvrouw |
The neighbor walks in the garden. | De buurvrouw loopt in de tuin. |
| bellen |
My neighbor asks if I want to call her when the shopping is done. | Mijn buurvrouw vraagt of ik haar wil bellen wanneer de boodschappen zijn gedaan. |
| ze |
She goes to school tomorrow. | Ze gaat morgen naar school. |
| de hulp |
| nodig |
She can also call me if she needs help with cooking. | Zij kan mij ook bellen als ze hulp nodig heeft bij het koken. |
| langzaam |
| volgen |
Anna follows Tom to school. | Anna volgt Tom naar school. |
I want to practice calmly in order to speak slowly so that everyone can follow me. | Ik wil rustig oefenen om langzaam te spreken, zodat iedereen mij kan volgen. |
| praten |
| de oudere |
The older person listens to music in the park. | De oudere luistert naar muziek in het park. |
| het kind |
The child plays with the ball in the garden. | Het kind speelt met de bal in de tuin. |
| goed |
I cook well for my family. | Ik kook goed voor mijn familie. |
If I speak slowly, older people and children can understand me well. | Als ik langzaam praat, kunnen ouderen en kinderen mij goed begrijpen. |
| het moment |
| Het moment is mooi. |
| uw |
| de ademhaling |
I listen to my breathing. | Ik luister naar mijn ademhaling. |
Take a moment to check your breathing, so that you do not go too fast. | Neem een moment om uw ademhaling te controleren, zodat u niet te snel gaat. |
| zouden |
| meedoen |
| Ik doe mee aan het feest. |
Could you also ask your friends if they want to join? | Zou u ook uw vrienden kunnen vragen of ze willen meedoen? |
| de zomer |
The air is warm, because it is summer. | De lucht is warm, want het is zomer. |
| de berg |
| beklimmen |
Tom climbs the mountain quickly. | Tom beklimt de berg snel. |
We want to climb the mountain in the summer to improve our fitness. | Wij willen in de zomer de berg beklimmen om onze conditie te verbeteren. |
| hoog |
The book lies high in the cupboard. | Het boek ligt hoog in de kast. |
| opletten |
| steil |
| De berg is steil. |
| het pad |
I am walking on the path. | Ik loop op pad. |
That mountain is not very high, but we still have to pay attention on the steep path. | Die berg is niet heel hoog, maar we moeten toch opletten op het steile pad. |
| de broer |
My brother bikes quickly in the park. | Mijn broer fietst snel in het park. |
| de fabriek |
| de baan |
| Mijn baan is nieuw. |
My brother works in a factory, but he would like to look for a different job. | Mijn broer werkt in een fabriek, maar hij wil graag een andere baan zoeken. |
| de machine |
| De machine werkt goed. |
| zomaar |
In that factory, many machines are used that we are not allowed to touch just like that. | In die fabriek worden veel machines gebruikt die wij niet zomaar mogen aanraken. |
| de dokter |
| De dokter helpt mij. |
| het doel |
| bereiken |
My doctor says I must exercise to reach my goal. | Mijn dokter zegt dat ik moet sporten om mijn doel te bereiken. |
| hardlopen |
| Ik hardloop snel in het park. |
If we run regularly, we can reach our goal faster. | Als wij regelmatig hardlopen, kunnen wij sneller ons doel bereiken. |
| de organisatie |
| het onderdeel |
The organization has multiple parts where you can help. | De organisatie heeft meerdere onderdelen waar u kunt helpen. |
| elk |
| Elk boek is mooi. |
| het project |
| afronden |
| Wij ronden de vergadering af. |
Each part is important to finish the entire project. | Elk onderdeel is belangrijk om het hele project af te ronden. |
| wensen |
| het succes |
Our organization has a lot of success. | Onze organisatie heeft veel succes. |
| hopen |
We wish you much success with your new decisions and hope to keep practicing together. | Wij wensen u veel succes met uw nieuwe beslissingen en hopen samen te blijven oefenen. |
| genoeg |
| Ik heb genoeg geld. |
We also wish that you have enough time to relax during your vacation. | We wensen ook dat u genoeg tijd heeft om tijdens uw vakantie te ontspannen. |
| allemaal |
| Wij gaan allemaal naar school. |
| lachen |
| Anna lacht met Tom. |
Usually, we end the day with a short game, so that we can all have a laugh. | Meestal eindigen wij de dag met een kort spel, zodat we allemaal kunnen lachen. |
| de zonsondergang |
I enjoy the sunset in the garden. | Ik geniet van de zonsondergang in de tuin. |
| bekijken |
We watch the sunset by the lake. | Wij bekijken de zonsondergang bij het meer. |
They like to sit by the river to watch the sunset. | Zij zitten graag bij de rivier om de zonsondergang te bekijken. |
| het oversteken |
Crossing is dangerous if you walk fast. | Oversteken is gevaarlijk als je snel loopt. |
| vooral |
We especially listen to music. | Wij luisteren vooral naar muziek. |
| de namiddag |
I bike in the afternoon to the store. | Ik fiets in de namiddag naar de winkel. |
You have to pay close attention when crossing that river, especially in the afternoon. | U moet goed opletten bij het oversteken van die rivier, vooral in de namiddag. |
| zoeken |
| bij |
| Anna zit bij Tom. |
I seek help with the homework. | Ik zoek hulp bij het huiswerk. |
| interessant |
Tom reads an interesting book. | Tom leest een interessant boek. |
The project is interesting. | Het project is interessant. |
| de vriendin |
The friend bikes to the market. | De vriendin fietst naar de markt. |
We hope that our friend comes. | Wij hopen dat onze vriendin komt. |