Usages of klein
De kat is klein.
The cat is small.
De kat is niet groot, maar klein.
The cat is not big, but small.
Hij is niet klein, maar groot.
He is not small, but big.
Zij zegt dat de kat klein is.
She says that the cat is small.
In die supermarkt is er ook een kleine bakkerij waar we vers brood kunnen kopen.
In that supermarket, there is also a small bakery where we can buy fresh bread.
Nergens is het zo gastvrij als in dat kleine dorp, volgens mijn ervaring.
Nowhere is as hospitable as in that small village, according to my experience.
Ik schenk een klein kopje koffie in voor u, zodat u niet dorstig blijft.
I pour a small cup of coffee for you, so that you don’t remain thirsty.
Ik geef mijn moeder een klein cadeautje voor haar verjaardag.
I give my mother a small gift for her birthday.
De zolder in ons nieuwe huis is heel ruim en heeft een klein raam.
The attic in our new house is very spacious and has a small window.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.