| sterk |
| vol |
The cupboard is full of books. | De kast staat vol boeken. |
Luckily I feel strong and full of energy today. | Gelukkig voel ik me vandaag sterk en vol energie. |
| gelukkig |
| het beroep |
Tom is happy with his new profession as a teacher. | Tom is gelukkig met zijn nieuwe beroep als leraar. |
| vereisen |
The exam requires a lot of practice. | Het examen vereist veel oefenen. |
| veel |
| het geduld |
With patience, you can understand the grammar better. | Met geduld kun je de grammatica beter begrijpen. |
His profession requires a lot of patience and clear explanation. | Zijn beroep vereist veel geduld en duidelijke uitleg. |
| de vrijwilliger |
As a volunteer he helps elderly people with their groceries. | Als vrijwilliger helpt hij ouderen met hun boodschappen. |
Tomorrow several volunteers will work together on the project. | Morgen werken meerdere vrijwilligers samen aan het project. |
| de invloed |
These decisions have a lot of influence on our future. | Deze beslissingen hebben veel invloed op onze toekomst. |
| positief |
Tom quickly notices the positive influence of reading daily. | Tom merkt al snel de positieve invloed van dagelijks lezen. |
| als gevolg van |
| druk |
As a consequence of the heavy traffic, we arrived late. | Als gevolg van het drukke verkeer kwamen we te laat. |
| het gevolg |
A consequence of practicing every day is that we can speak better. | Een gevolg van elke dag oefenen is dat we beter kunnen spreken. |
| de training |
| binnen |
Another consequence is that the training now has to take place indoors. | Een ander gevolg is dat de training nu binnen moet plaatsvinden. |
| besparen |
We try to save money on energy every month. | Wij proberen elke maand geld te besparen op energie. |
By cooking together, we save time and money. | Door samen te koken, besparen we tijd en geld. |
| de docent |
| het college |
The lecture helps us learn to speak better. | Het college helpt ons beter te leren spreken. |
| Nederlands |
The lecturer gave a clear lecture on Dutch grammar. | De docent gaf een helder college over Nederlandse grammatica. |
Can you read this plan and tell me what you want to do with it? | Kun je dit plan lezen en me vertellen wat je ermee wilt doen? |
| de laptop |
He listens to music on the laptop. | Hij luistert naar muziek op de laptop. |
We have a new laptop; we will start working with it right away. | We hebben een nieuwe laptop; we beginnen er meteen mee te werken. |
The children find the box so big that they want to sit in it. | De kinderen vinden de doos zo groot dat ze erin willen zitten. |
| het diner |
We cook together for dinner. | Wij koken samen voor het diner. |
We will talk about it later during dinner. | We praten er later nog over tijdens het diner. |
| de baas |
The boss speaks with the customer. | De baas spreekt met de klant. |
Have you already spoken about it with your boss? | Heb je al met je baas erover gesproken? |
| de prioriteit |
Another priority is to practice every day. | Een andere prioriteit is elke dag oefenen. |
Their biggest priority now is to arrive home safely. | Hun grootste prioriteit is nu om veilig thuis te komen. |
| de brug |
The bridge is old and not safe. | De brug is oud en niet veilig. |
| rijden |
The bridge is not safe, so we will not drive over it. | De brug is niet veilig, dus we rijden er niet overheen. |
| accepteren |
| de informatie |
| Ik heb informatie nodig. |
Anna cannot accept the proposal without extra information. | Anna kan het voorstel niet accepteren zonder extra informatie. |
| het plezier |
Reading gives a lot of pleasure. | Lezen geeft veel plezier. |
In the end Tom accepted his new profession with pleasure. | Uiteindelijk accepteerde Tom zijn nieuwe beroep met plezier. |
| aanbieden |
The baker wanted to offer us free bread. | De bakker wilde ons gratis brood aanbieden. |
| de kop |
The warm cup of coffee is on the table. | De warme kop koffie staat op de tafel. |
| beleefd |
He will offer you a cup of tea later, be polite. | Hij zal je straks een kop thee aanbieden, wees beleefd. |
| het verlangen |
| terugkeren |
He returns to the old house tomorrow. | Hij keert morgen terug naar het oude huis. |
She feels a strong desire to return home again. | Zij voelt een sterk verlangen om weer naar huis terug te keren. |
That desire grows each time she sees photos of the family. | Dat verlangen groeit elke keer als ze foto’s van de familie ziet. |
| de arts |
I call the doctor to make an appointment. | Ik bel de arts om een afspraak te maken. |
| constateren |
I observe that I am tired. | Ik constateer dat ik moe ben. |
| regelmatig |
The doctor observes that regular training improves your health. | De arts constateert dat regelmatige training je gezondheid verbetert. |
| de verwachting |
| vorig |
Last year we bought a new car. | Vorig jaar hebben wij een nieuwe auto gekocht. |
My expectation is that the exam will be easier than last year. | Mijn verwachting is dat het examen gemakkelijker wordt dan vorig jaar. |
| de werkelijkheid |
In reality, the trip is shorter than we think. | In werkelijkheid is de reis korter dan we denken. |
| voldoen aan |
This proposal meets my expectation. | Dit voorstel voldoet aan mijn verwachting. |
Reality did not meet our expectation, but we stayed positive. | De werkelijkheid voldeed niet aan onze verwachting, maar we bleven positief. |
| zolang |
As long as it does not rain, we will stay in the garden to read. | Zolang het niet regent, blijven we in de tuin lezen. |
| de presentatie |
We are giving a presentation at school tomorrow. | Wij geven morgen een presentatie op school. |
You may stay here, as long as you remain quiet during the presentation. | Je mag hier blijven, zolang je stil blijft tijdens de presentatie. |
| met |
Anna drives to school by car. | Anna rijdt met de auto naar school. |