Lesson 13

QuestionAnswer
to let go
loslaten
the box
de doos
I put the box next to the table.
Ik leg de doos naast de tafel.
the bag
de tas
Let go of that box and grab this bag!
Laat die doos los en pak deze tas!
safe
veilig
We bike safely to school.
Wij fietsen veilig naar school.
Remain calm and let go of your worries, because you are safe here.
Blijf rustig staan en laat je zorgen los, want je bent veilig hier.
to hold tight
vasthouden
to discuss
overleggen
the content
de inhoud
The content of the book is fascinating.
De inhoud van het boek is boeiend.
Hold the book tight, then we can discuss the contents later.
Houd het boek vast, dan kunnen we straks even overleggen over de inhoud.
briefly
even
the colleague
de collega
My colleague works in the office.
Mijn collega werkt in het kantoor.
the energy saving
de energiebesparing
We find energy saving important.
Wij vinden energiebesparing belangrijk.
Discuss briefly with your colleague about the energy saving, and write down the ideas.
Overleg even met je collega over de energiebesparing en schrijf de ideeën op.
to leave
verlaten
Do not leave this room before you have made a plan for more saving.
Verlaat deze kamer niet voordat je een plan hebt gemaakt voor meer besparing.
the building
het gebouw
I see a big building.
Ik zie een groot gebouw.
to lose
verliezen
the rush
de haast
Leave the building calmly, so we don't have to lose anything in the rush.
Verlaat het gebouw rustig, zodat we niets hoeven te verliezen in de haast.
the match
de wedstrijd
Tom plays in the match.
Tom speelt in de wedstrijd.
to win
winnen
Tom wins the match.
Tom wint de wedstrijd.
the strategy
de strategie
We use the strategy for the match.
Wij gebruiken de strategie voor de wedstrijd.
Don't lose any time and try to win this match with our strategy!
Verlies geen tijd en probeer deze wedstrijd te winnen met onze strategie!
to succeed
lukken
I succeed.
Het lukt mij.
clever
slim
to come up with
verzinnen
You can win more easily if you can quickly come up with a clever plan.
Winnen lukt beter als je snel een slim plan kunt verzinnen.
to list
opnoemen
Coming up with ideas is fun, but can you list all of them right away?
Verzinnen is leuk, maar kun je alle ideeën ook meteen opnoemen?
to exist
bestaan
the fantasy world
de fantasiewereld
We read a book about the fantasy world.
Wij lezen een boek over de fantasiewereld.
List everything that can exist in this fantasy world and write it down on paper.
Noem alles op wat kan bestaan in deze fantasiewereld en schrijf het op papier.
whether
of
the creature
het wezen
The creature plays in the garden and drinks water.
Het wezen speelt in de tuin en drinkt water.
truly
echt
the characteristic
de eigenschap
My characteristic is important.
Mijn eigenschap is belangrijk.
to describe
omschrijven
Anna describes the film in a short story.
Anna omschrijft de film in een kort verhaal.
Think about whether such creatures can truly exist and try to describe their characteristics in other words.
Bedenk of zulke wezens echt kunnen bestaan en probeer hun eigenschappen te omschrijven.
to paraphrase
omschrijven
clearly
duidelijk
He speaks clearly.
Hij spreekt duidelijk.
to react
reageren
Tom reacts to the letter.
Tom reageert op de brief.
Paraphrase your idea clearly, then everyone can react better during the meeting.
Omschrijf je idee duidelijk, dan kan iedereen beter reageren tijdens de vergadering.
to respond
reageren
Anna responds quickly to the news.
Anna reageert snel op het nieuws.
the question
de vraag
I have a question.
Ik heb een vraag.
the development
de ontwikkeling
step by step
stap voor stap
Tom learns to cook step by step.
Tom leert stap voor stap koken.
Respond to their questions and discuss the development of your project step by step.
Reageer op hun vragen en bespreek de ontwikkeling van je project stap voor stap.
to help grow
laten groeien
the professional
de professional
The professional gives advice.
De professional geeft advies.
This development can help you grow as a professional, so work on it daily.
Deze ontwikkeling kan je laten groeien als professional, dus werk er dagelijks aan.
to grow
groeien
the skill
de vaardigheid
Skill is important.
Vaardigheid is belangrijk.
challenging
lastig
to hurry up
opschieten
Growing in your skills can be challenging, so hurry up and keep practicing.
Groeien in je vaardigheden kan lastig zijn, dus schiet op en blijf oefenen.
the writing
het schrijven
Writing is fun.
Het schrijven is leuk.
the invitation
de uitnodiging
to send out
versturen
Hurry up with writing your invitation, because we want to send it out today.
Schiet op met het schrijven van je uitnodiging, want we willen die vandaag nog versturen.
only
alleen
digital
digitaal
We send a message digitally.
Wij sturen digitaal een bericht.
the note
het briefje
Don't just send the invitation digitally, but also write a short note for your family.
Stuur de uitnodiging niet alleen digitaal, maar schrijf ook een kort briefje voor je familie.
the handkerchief
de zakdoek
the nose
de neus
My nose is red.
Mijn neus is rood.
to blow
snuiten
I blow my nose.
Ik snuit mijn neus.
cold
verkouden
Place that note on the table and grab a handkerchief to blow your nose if you're feeling a cold coming on.
Leg dat briefje op tafel en pak een zakdoek om je neus te snuiten als je verkouden bent.
to infect
besmetten
He does not infect his friend.
Hij besmet zijn vriend niet.
Use your handkerchief regularly so that you don't infect anyone if you have a cold.
Gebruik je zakdoek regelmatig zodat je niemand besmet als je verkouden bent.
stuffed up
verkouden
the solution
de oplossing
We search for the solution so that we can learn better together.
Wij zoeken de oplossing zodat wij samen beter kunnen leren.
such as
zoals
Are you stuffed up? Then find a good solution such as rest and warm tea.
Ben je verkouden? Zoek dan een goede oplossing, zoals rust en warme thee.
the imperative
de imperatief
the stem
de stam
the verb
het werkwoord
Verb helps us speak.
Werkwoord helpt ons spreken.
In Dutch, you usually form the imperative by using only the stem of the verb, such as “Wacht!” (Wait!) or “Kom!” (Come!).
In het Nederlands maak je de imperatief meestal door alleen de stam van het werkwoord te gebruiken, zoals “Wacht!” of “Kom!”.
further
verder
I am going to continue reading.
Ik ga verder lezen.
to feel at home
zich thuis voelen
Anna feels at home in the Netherlands.
Anna voelt zich thuis in Nederland.
Please come in, sir, and feel at home here.
Komt u gerust verder, meneer, en voelt u zich hier thuis.
crowded
druk
We received a letter with the imperative “Stay outside!” because it was too crowded inside.
We kregen een brief met de imperatief “Blijf buiten!”, omdat het binnen te druk was.
urgent
dringend
I urgently search for my key.
Ik zoek dringend mijn sleutel.
the instruction
de instructie
Tom gives instruction in cooking.
Tom geeft instructie in koken.
Sometimes it’s clear when you should use the imperative, especially in urgent instructions.
Soms is het duidelijk wanneer je de imperatief moet gebruiken, vooral bij dringende instructies.
strict
streng
My sister speaks strictly, because she wants us to finish our homework.
Mijn zus spreekt streng, want zij wil dat wij ons huiswerk afmaken.
to sound
klinken
The music sounds beautiful.
De muziek klinkt mooi.
Today I understand better how to ask people to do something, without sounding too strict.
Vandaag begrijp ik beter hoe ik mensen kan vragen om iets te doen, zonder te streng te klinken.
easy
makkelijk
to confer
overleggen
That saving and development are now easier to discuss, because we are chatting together.
Die besparing en ontwikkeling zijn nu makkelijker te bespreken, omdat we samen overleggen.
to continue
blijven
ultimately
uiteindelijk
Hopefully, we will continue to grow in our knowledge, so that we ultimately have nothing to lose.
Hopelijk blijven we samen groeien in onze kennis, zodat we uiteindelijk niets hoeven te verliezen.
to carry
dragen
We carry the books in the car.
Wij dragen de boeken in de auto.
I carry a bag to school.
Ik draag een tas naar school.