Usages of zien
Jij hebt hem al gezien.
You have already seen him.
Wij zien de hond in het park.
We see the dog in the park.
Ik zie mezelf in de spiegel.
I see myself in the mirror.
Ik zie het resultaat van ons onderzoek op de tafel.
I see the result of our research on the table.
Hij kan zich in de spiegel zien.
He can see himself in the mirror.
Die kantoorbaan wordt vaak gezien als heel druk, maar zij vindt het best leuk.
That office job is often seen as very busy, but she thinks it is rather fun.
Zodra de kat het hek ziet, komt hij tevoorschijn en loopt weer naar binnen.
As soon as the cat sees the fence, he appears and walks back inside.
Ik zie meerdere vogels in de tuin.
I see several birds in the garden.
Tom ziet zijn vriendin in het park.
Tom sees his girlfriend in the park.
Ik zie een golf op het strand.
I see a wave on the beach.
Ik zie de vriend die in het park loopt.
I see the friend who is walking in the park.
Wij fietsen naar het centrum en zien een mooie winkel.
We bike to the center and see a beautiful shop.
Hopelijk zie ik mijn vriend morgen.
Hopefully I will see my friend tomorrow.
Ik zie verkeer in de stad.
I see traffic in the city.
Ik zie een groot gebouw.
I see a big building.
Ga linksaf bij deze straat en loop dan rechtdoor tot je het park ziet.
Turn left at this street and then walk straight ahead until you see the park.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.