zij

Usages of zij

Zij is Sofie.
She is Sofie.
Zij eet brood.
She eats bread.
Zij heeft de deur voor de hond open gelaten.
She has left the door open for the dog.
Zij drinkt water, want zij is heel dorstig.
She drinks water because she is very thirsty.
Zij gebruikt de ovenwant tijdens het koken.
She uses the oven mitt while cooking.
Zij speelt muziek tijdens het koken.
She plays music while cooking.
Zij bereidt zich voor op het feest.
She prepares herself for the party.
De kantoorbaan van mijn zus zal vandaag eerder eindigen, dus zij komt ook mee schilderen.
My sister’s office job will end earlier today, so she will also come along to paint.
Die kantoorbaan wordt vaak gezien als heel druk, maar zij vindt het best leuk.
That office job is often seen as very busy, but she thinks it is rather fun.
Zij zegt dat de kat klein is.
She says that the cat is small.
Zij leest dat gedicht hardop en vindt het erg mooi.
She reads that poem aloud and thinks it is very beautiful.
Zij koopt een kussen.
She buys a cushion.
Zij kan mij ook bellen als ze hulp nodig heeft bij het koken.
She can also call me if she needs help with cooking.
Zij gaat de gordijnen openen om het raam te wassen.
She is going to open the curtains to wash the window.
Na het wassen van het raam sluit zij de gordijnen weer, want het wordt koud.
After washing the window, she closes the curtains again, because it is getting cold.
Zij eet weinig brood.
She eats little bread.
Mijn zus spreekt streng, want zij wil dat wij ons huiswerk afmaken.
My sister speaks strictly, because she wants us to finish our homework.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.

Start learning Dutch now