Usages of kopen
Ik heb die stoel gekocht en hij is heel mooi.
I bought that chair and it is very beautiful.
Ik ga morgen een tafel kopen.
I am going to buy a table tomorrow.
Het meisje gaat morgen naar de winkel om groenten en fruit te kopen.
The girl is going to the store tomorrow to buy vegetables and fruit.
Morgen gaan we samen naar de markt, want we moeten een nieuw tafelkleed kopen.
Tomorrow we're going to the market together, because we have to buy a new tablecloth.
Mijn familie wil dit weekend naar de markt om een mes en een vork voor de picknick te kopen.
My family wants to go to the market this weekend to buy a knife and a fork for the picnic.
Vandaag gaan wij naar de markt om groenten te kopen.
Today we are going to the market to buy vegetables.
Wij kopen vers brood op de markt.
We buy fresh bread at the market.
Ik ga straks naar de markt om groenten te kopen.
I am going to the market soon to buy vegetables.
Wij moeten groenten en fruit op de markt kopen.
We have to buy vegetables and fruit at the market.
Wij zullen snel naar de winkel gaan om brood te kopen.
We will quickly go to the store to buy bread.
Op het postkantoor kopen wij een zegel voor onze brief en sturen wij een bericht naar onze vrienden.
At the post office, we buy a stamp for our letter and send a message to our friends.
Overmorgen gaan mijn zussen en ik eindelijk weer naar de markt om verse groenten te kopen.
The day after tomorrow my sisters and I are finally going to the market again to buy fresh vegetables.
De klant koopt een boek.
The customer buys a book.
Tom koopt een croissant op de markt.
Tom buys a croissant at the market.
Wij kopen spul in de winkel.
We buy stuff in the store.
Zij koopt een kussen.
She buys a cushion.
In die supermarkt is er ook een kleine bakkerij waar we vers brood kunnen kopen.
In that supermarket, there is also a small bakery where we can buy fresh bread.
Ik kan ook aanraden om vooraf kaartjes te kopen, zodat we niet in de rij hoeven te wachten.
I can also recommend buying tickets in advance, so that we don’t have to wait in line.
Ik koop een kaartje voor de film.
I buy a ticket for the movie.
We hebben een afwasmachine gekocht, zodat we sneller klaar zijn met de afwas.
We have bought a dishwasher, so we can be done with the dishes faster.
Wij kopen diverse groenten op de markt.
We buy various vegetables at the market.
De klant koopt een boek in de winkel.
The customer buys a book in the shop.
Heb jij een oplader die werkt met mijn kabel, of moeten we er een nieuwe kopen?
Do you have a charger that works with my cable, or should we buy a new one?
Ik koop contant een boek.
I buy a book in cash.
Ik wil een oud pand kopen.
I want to buy an old building.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.