leren

Usages of leren

Ik ga leren.
I am going to learn.
Hij gaat morgen leren koken.
He is going to learn to cook tomorrow.
Morgen ga ik weer leren, want de school is open.
Tomorrow I am going to learn again, because the school is open.
Het is belangrijk om elke dag te oefenen, want we willen beter leren spreken.
It is important to practice every day, because we want to learn to speak better.
Wij studeren samen zodat wij beter kunnen leren.
We study together so that we can learn better.
Zij bezoeken het laboratorium om meer over ons onderzoek te leren.
They visit the laboratory to learn more about our research.
Wij leren regelmatig nieuwe grammatica om onze kennis van de taal te verbeteren.
We regularly learn new grammar to improve our knowledge of the language.
Wij kunnen doorgaan met onze studie, want de grammatica voor vandaag hebben we al deels geleerd.
We can continue our studies, because we have already partially learned today’s grammar.
Ik ga eerder naar school, want ik wil leren.
I am going to school earlier, because I want to learn.
Deze oefening helpt ons om de zachte klanken van de taal beter te leren.
This exercise helps us learn the soft sounds of the language better.
Neem rustig de tijd om die verschillende regels te leren.
Take your time to learn those different rules.
Ik heb veel stress, want ik moet leren.
I have a lot of stress because I have to learn.
Tom leert stap voor stap koken.
Tom learns to cook step by step.
Wij zoeken de oplossing zodat wij samen beter kunnen leren.
We search for the solution so that we can learn better together.
Ik leer met gemak.
I learn with ease.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.

Start learning Dutch now