Usages of de jongen
Hij is een jongen.
He is a boy.
Jij bent een jongen.
You are a boy.
Ik ben een jongen en u bent een man.
I am a boy and you are a man.
De jongen is hier en het meisje is daar.
The boy is here and the girl is there.
De jongen is daar en hij heeft een vraag.
The boy is there and he has a question.
De jongen eet een appel.
The boy eats an apple.
Ze zien acht jongens en negen meisjes.
They see eight boys and nine girls.
De jongen en het meisje spelen buiten.
The boy and the girl play outside.
Ze helpt de jongen in de keuken.
She helps the boy in the kitchen.
De jongen begrijpt het probleem niet.
The boy does not understand the problem.
De jongens bestellen veel drankjes.
The boys are ordering a lot of drinks.
Eten de jongens veel pinda's?
Are the boys eating a lot of peanuts?
De jongen drinkt geen sap.
The boy drinks no juice.
De jongens mogen niet in het water zwemmen.
The boys are not allowed to swim in the water.
De jongen is veertien en het meisje is vijftien.
The boy is fourteen and the girl is fifteen.
De jongen valt bij de school.
The boy falls at the school.
Boven slaapt de jongen.
Upstairs the boy is sleeping.
De jongen wast zich.
The boy washes himself.
De jongen is heel ver gerend.
The boy has run very far.
De jongen is niet aan het huilen, hij is aan het slapen.
The boy is not crying, he is sleeping.
De jongen slaapt niet, want hij is niet moe.
The boy is not sleeping, because he is not tired.
De jongens spelen buiten in de sneeuw.
The boys play outside in the snow.
Het meisje is even eigenwijs als de jongen.
The girl is as stubborn as the boy.
Deze jongens zijn net zo lui als de kat.
These boys are just as lazy as the cat.
Als de jongen valt, bloedt hij misschien.
If the boy falls, he might bleed.
Als de jongen niet eerlijk is, help ik hem niet.
If the boy is not honest, I am not helping him.
Het speelgoed was kapot, want de jongens waren stout.
The toys were broken, because the boys were naughty.
Had de jongen een poster van een grote auto?
Did the boy have a poster of a large car?
De jongens waren blij als ze een hut hadden.
The boys were happy when they had a fort.
Toen de jongen de muis zag, wilde hij hem vangen.
When the boy saw the mouse, he wanted to catch it.
Toen de jongens met hun studie begonnen, kregen zij een relatie.
When the boys started their studies, they got into a relationship.
De jongen loopt naar de fontein te wijzen.
The boy is walking around pointing at the fountain.
De jongen gedraagt zich heel slecht op school.
The boy behaves very badly at school.
Was de jongen verdrietig, omdat hij niet had opgelet?
Was the boy sad, because he had not paid attention?
De jongen aan wie ik mijn hart geef, is mijn grote liefde.
The boy I give my heart to is my great love.
Ik zal vanavond de jongen met wie ik date kussen.
Tonight I will kiss the boy I am dating.
De jongen die zijn haar laat knippen, woont hier.
The boy who is having his hair cut lives here.
De jongen drinkt water, zodat hij meer energie heeft.
The boy drinks water so that he has more energy.
De jongen loopt fluitend op straat.
The boy walks on the street whistling.
Zij belonen de jongen omdat hij de kamer schoonmaakt.
They reward the boy because he cleans the room.
Straf je de jongen wanneer hij stout is?
Do you punish the boy when he is naughty?
De docent kiest ervoor om de jongen te straffen.
The teacher chooses to punish the boy.
Wij zorgen ervoor dat we de jongen niet verwennen.
We ensure that we do not spoil the boy.
De jongen telt de boeken.
The boy counts the books.
De jongen beweerde dat het boekje tegenviel.
The boy claimed that the little book was disappointing.
De jongen kruipt door de groene struik heen.
The boy crawls through the green bush.
De jongen is erg geïnteresseerd in insecten.
The boy is very interested in insects.
De leraar geeft het compliment aan de jongen.
The teacher gives the compliment to the boy.
De jongen wil niet meer gamen.
The boy does not want to play video games anymore.
De jongen schaakt niet meer fanatiek.
The boy does not play chess fanatically anymore.
De jongen is zo dolblij dat hij lacht.
The boy is so overjoyed that he laughs.
De jongen is bezig de hete olie van het metaal te verwijderen.
The boy is busy removing the hot oil from the metal.
De jongen is nerveus.
The boy is nervous.
Naarmate de jongen ouder werd, wilde hij volwassen lijken.
As the boy became older, he wanted to appear mature.
Ik weet niet of de doodsbange jongen in paniek raakt.
I do not know whether the terrified boy panics.
Haastig kauwend op zijn boterham, rende de jongen naar buiten.
Hurriedly chewing his sandwich, the boy ran outside.
Hun boterhammen etend, fietsten de jongens naar school.
Eating their sandwiches, the boys cycled to school.
Plotseling komt er een jongen naar beneden glijden.
Suddenly, a boy comes sliding down.
We horen dat de jongens de speelplaats op komen rennen.
We hear that the boys come running onto the playground.
De jongens eten gretig vier vijfde van de pizza op.
The boys eagerly eat up four-fifths of the pizza.
Toen de juf de jongen plaagde, begon hij te huilen.
When the teacher teased the boy, he started to cry.
Toen de jongens kattenkwaad uithaalden, waarschuwde de buurman de politie.
When the boys got up to mischief, the neighbor warned the police.
Als de jongen destijds buiten speelde, was hij blij.
Whenever the boy played outside back then, he was happy.
Die jongen speelt zoals een echte amateur.
That boy plays like a real amateur.
De jongen op stelten speelt zachtjes trompet.
The boy on stilts plays the trumpet softly.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.