Usages of het brood
Zij eet brood.
She eats bread.
Hij eet ook brood.
He also eats bread.
Wij kopen vers brood op de markt.
We buy fresh bread at the market.
Als we te laat thuiskomen, moeten we fietsen naar de winkel om snel brood te halen.
If we come home too late, we have to bike to the store to quickly get bread.
Wij zullen snel naar de winkel gaan om brood te kopen.
We will quickly go to the store to buy bread.
Betaal bij de kassa en neem je brood mee naar huis.
Pay at the cash register and take your bread home.
Deze bakker verkoopt vers brood en heerlijke croissants.
This baker sells fresh bread and delicious croissants.
In die supermarkt is er ook een kleine bakkerij waar we vers brood kunnen kopen.
In that supermarket, there is also a small bakery where we can buy fresh bread.
Tom eet te veel brood.
Tom eats too much bread.
Tom eet ongezond brood.
Tom eats unhealthy bread.
Tom vindt gezouten brood erg lekker.
Tom finds salted bread very tasty.
Zij eet weinig brood.
She eats little bread.
Ik betaal contant voor het brood.
I pay cash for the bread.
Ik eet brood met saus.
I eat bread with sauce.
Het brood smaakt flauw.
The bread tastes bland.
Ik zet het brood in de koelkast.
I put the bread in the refrigerator.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.