Usages of groot
De hond is groot.
The dog is big.
De kat is niet groot, maar klein.
The cat is not big, but small.
Hij is niet klein, maar groot.
He is not small, but big.
Die maaltijd is heel groot en heel lekker!
That meal is very large and very tasty!
Zijn vriend is heel groot.
His friend is very big.
Blijdschap is groot.
Joy is big.
Wil je op dit stoeltje zitten, of liever op de grote bank?
Do you want to sit on this little chair, or rather on the big couch?
Ik zie een groot gebouw.
I see a big building.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.