Inseparable verbs in the perfect tense (no ge-)

QuestionAnswer
the debit card
de bankpas
I have forgotten my debit card.
Ik ben mijn bankpas vergeten.
She has used her debit card.
Zij heeft haar bankpas gebruikt.
the amount
het bedrag
We have paid the amount.
Wij hebben het bedrag betaald.
to manage
beheren
Who has managed your money?
Wie heeft uw geld beheerd?
the bank (financial institution)
de bank
the balance
het saldo
The bank has changed the balance.
De bank heeft het saldo veranderd.
I did not expect that balance.
Ik heb dat saldo niet verwacht.
the income
het inkomen
She has managed her income well.
Zij heeft haar inkomen goed beheerd.
She has earned a good salary.
Zij heeft een goed salaris verdiend.
to spend
besteden
We have spent a lot of money.
Wij hebben veel geld besteed.
Why have you spent that money?
Waarom heb je dat geld besteed?
to save (money/time)
besparen
I have saved a lot of time.
Ik heb veel tijd bespaard.
We have saved no money.
Wij hebben geen geld bespaard.
the loan
de lening
The bank has promised me a loan.
De bank heeft mij een lening beloofd.
I received the loan yesterday.
Ik heb de lening gisteren ontvangen.
the interest
de rente
We have received no interest.
Wij hebben geen rente ontvangen.
to raise
verhogen
The bank has raised the interest.
De bank heeft de rente verhoogd.
Has the boss raised your salary?
Heeft de baas jouw salaris verhoogd?
I have received the income and paid the amount.
Ik heb het inkomen ontvangen en het bedrag betaald.
to look at, to examine
bekijken
I have looked at my balance.
Ik heb mijn saldo bekeken.
She looks at the amount on the bank card.
Zij bekijkt het bedrag op de bankpas.
We have examined the loan.
Wij hebben de lening bekeken.
the bank account
de bankrekening
The balance of my bank account is low.
Het saldo van mijn bankrekening is laag.
She managed the amount in the bank account.
Zij heeft het bedrag op de bankrekening beheerd.

Contributors