Usages of één
Ik roep mijn zus wanneer ik de badkamer nodig heb, omdat er maar één douche is.
I call out to my sister when I need the bathroom, because there is only one shower.
Ik pak één appel van de tafel.
I grab one apple from the table.
Ik raad je aan om vroeg te komen, omdat dit festival maar één dag zal plaatsvinden.
I recommend you come early, because this festival will only take place on one day.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.