Usages of het weekend
Wij gaan in het weekend naar een nieuw huis.
We are going to a new house this weekend.
Anna en Sofie lopen ook in het weekend.
Anna and Sofie also walk on the weekend.
Het is handig om in het weekend naar de markt te gaan.
It is useful to go to the market on the weekend.
Zullen wij in het weekend samen in het park oefenen?
Shall we practice together in the park on the weekend?
Wij plannen om in het weekend naar de winkel te gaan.
We plan to go to the store on the weekend.
Er is volgend weekend een bijzondere gebeurtenis in het park, waar een muziekfestival zal plaatsvinden.
There is a special event in the park next weekend, where a music festival will take place.
Wij fietsen volgend weekend in het park.
We bike in the park next weekend.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.