Usages of spreken
Wij gaan naar school en spreken met onze vriendin.
We are going to school and speaking with our (female) friend.
Ik heb gisteren met Anna gesproken.
I spoke with Anna yesterday.
Heb jij al gesproken met onze nieuwe vriend?
Have you already spoken with our new friend?
Ja, ik heb met hem gesproken en hij is heel vriendelijk.
Yes, I have spoken with him and he is very friendly.
Het is belangrijk om elke dag te oefenen, want we willen beter leren spreken.
It is important to practice every day, because we want to learn to speak better.
Vanavond spreekt mijn familie over belangrijke plannen en ik moet goed luisteren.
This evening my family talks about important plans, and I have to listen carefully.
Wij moeten de woorden goed onthouden, zodat we beter kunnen spreken.
We have to remember the words well, so that we can speak better.
Wij moeten veel oefenen, zodat wij beter kunnen spreken.
We have to practice a lot so that we can speak better.
Jij mag met me spreken als je tijd hebt.
You may speak with me when you have time.
Mijn nicht en ik spreken over een bijzonder boek dat we vorig jaar gezamenlijk lazen.
My niece and I talk about a special book that we read together last year.
Tom spreekt met een zachte stem, zodat hij niemand stoort.
Tom speaks in a soft voice so that he doesn't bother anyone.
Volgens de regisseur is de scène te luid, dus hij vraagt om zachter te spreken.
According to the director, the scene is too loud, so he asks to speak more quietly.
Gast spreekt met Tom.
Guest speaks with Tom.
Ik wil rustig oefenen om langzaam te spreken, zodat iedereen mij kan volgen.
I want to practice calmly in order to speak slowly so that everyone can follow me.
Hij spreekt duidelijk.
He speaks clearly.
Werkwoord helpt ons spreken.
Verb helps us speak.
Mijn zus spreekt streng, want zij wil dat wij ons huiswerk afmaken.
My sister speaks strictly, because she wants us to finish our homework.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.