Verbs of categorization (als)

QuestionAnswer
the mentor
de mentor
to consider (regard as)
beschouwen
The man I regard as my mentor must help me.
De man die ik als mijn mentor beschouw, moet mij helpen.
the intern
de stagiair
the rival
de rivaal
She did not want to see the new intern as a rival.
Zij wilde de nieuwe stagiair niet als een rivaal zien.
to label
bestempelen
the threat
de bedreiging
Why do you label her behavior as a threat?
Waarom bestempel jij haar gedrag als een bedreiging?
equal
gelijkwaardig
to acknowledge
erkennen
The company had to acknowledge this small department as equal.
Het bedrijf moest deze kleine afdeling als gelijkwaardig erkennen.
to characterize
kenmerken
We characterize this approach as unique.
Wij kenmerken deze aanpak als uniek.
We regard the other students as equal.
Wij beschouwen de andere studenten als gelijkwaardig.
the example
het voorbeeld
Your boss sees the mentor as a good example.
Jouw baas ziet de mentor als een goed voorbeeld.
The director must acknowledge this mistake as a threat.
De directeur moet deze fout als een bedreiging erkennen.
They label the young intern as a talent.
Ze bestempelen de jonge stagiair als een talent.
The press characterizes that athlete as a dangerous rival.
De pers kenmerkt die atleet als een gevaarlijke rivaal.
We regard the mentor as the example.
Wij beschouwen de mentor als het voorbeeld.