| Question | Answer |
|---|---|
the text | de tekst |
to prepare | voorbereiden |
We must prepare the text. | We moeten de tekst voorbereiden. |
In the morning, she will prepare the meeting. | 's Morgens zal ze de vergadering voorbereiden. |
to finish | afmaken |
Can you finish this text tonight? | Kan jij deze tekst vanavond afmaken? |
I want to finish the project quickly. | Ik wil het project snel afmaken. |
to pass on | doorgeven |
You must pass on the message immediately. | Je moet het bericht meteen doorgeven. |
Will you pass on the information? | Zult u de informatie doorgeven? |
to rest | uitrusten |
to think (ponder, reflect) | nadenken |
In the evening, I want to rest and think. | 's Avonds wil ik uitrusten en nadenken. |
We will think carefully. | We zullen goed nadenken. |
You are very tired and must rest. | Jullie zijn erg moe en moeten uitrusten. |
to write down | opschrijven |
You may write down the word. | Je mag het woord opschrijven. |
Do you want to write down her name? | Wil je haar naam opschrijven? |
the light | het licht |
to turn off / to take off | uitdoen |
Do I have to turn off the light now? | Moet ik het licht nu uitdoen? |
He will turn off the light in the room. | Hij zal het licht in de kamer uitdoen. |
to put on | aantrekken |
You have to put on this coat. | Je moet deze jas aantrekken. |
May I put on these shoes? | Mag ik deze schoenen aantrekken? |
to rest (lie still) | rusten |
After work he has to rest. | Na het werk moet hij rusten. |
She is resting on the sofa. | Zij rust op de bank. |
to take off (clothes) | uittrekken |
I take off my coat. | Ik trek mijn jas uit. |
She has taken off her shoes. | Zij heeft haar schoenen uitgetrokken. |
to prepare for | zich voorbereiden op |
We prepare for the text. | Wij bereiden ons voor op de tekst. |
He prepares for the work. | Hij bereidt zich voor op het werk. |
Your questions are stored by us to improve Elon.io
