WordaantrekkenMeaningto put onPart of speechverbPronunciationCourseDutchLessonSeparable verbs with auxiliary verbsUsages of aantrekkenJe moet deze jas aantrekken.You have to put on this coat.Mag ik deze schoenen aantrekken?May I put on these shoes?Zij bestelde impulsief kleren in de uitverkoop, om ze vervolgens nooit aan te trekken.She impulsively ordered clothes in the sale, only to never put them on.