Plural nouns (-en)

QuestionAnswer
animal
het dier
We see two animals.
We zien twee dieren.
Where are the animals?
Waar zijn de dieren?
flower
de bloem
The woman buys ten flowers.
De vrouw koopt tien bloemen.
There are many flowers here.
Hier zijn veel bloemen.
plant
de plant
The hotel has many plants.
Het hotel heeft veel planten.
Do you have plants in the room?
Hebben jullie planten in de kamer?
horse
het paard
Four horses are walking outside.
Vier paarden lopen buiten.
The horses drink water.
De paarden drinken water.
mountain
de berg
The mountains are big.
De bergen zijn groot.
Do you see the mountains there?
Zie je de bergen daar?
cloud
de wolk
Where are the clouds today?
Waar zijn de wolken vandaag?
I see no clouds.
Ik zie geen wolken.
fish
de vis
The man is looking for fish in the water.
De man zoekt vissen in het water.
We have eight fish.
We hebben acht vissen.
tree
de boom
We are buying five trees.
We kopen vijf bomen.
The trees are old.
De bomen zijn oud.
bear
de beer
Six bears are walking in the city!
Zes beren lopen in de stad!
What do the bears drink?
Wat drinken de beren?
sheep
het schaap
The man has seven sheep.
De man heeft zeven schapen.
The sheep eat and sleep outside.
De schapen eten en slapen buiten.