Past activities (wezen + infinitive)

QuestionAnswer
to go (auxiliary for past outings)
wezen
to shop
winkelen
Yesterday I went shopping in the city.
Gisteren ben ik in de stad wezen winkelen.
Did you already go shopping today?
Ben je vandaag al wezen winkelen?
to fish
vissen
My brother went fishing this morning.
Mijn broer is vanmorgen wezen vissen.
to row
roeien
We went rowing and they went fishing.
Wij zijn wezen roeien en zij zijn wezen vissen.
I went rowing and I had a good time.
Ik ben wezen roeien en ik heb me goed vermaakt.
to sail
zeilen
Two weeks ago we went sailing.
Twee weken geleden zijn we wezen zeilen.
Did you go sailing on the weekend?
Zijn jullie in het weekend wezen zeilen?
to dive
duiken
to surf
surfen
Last summer we went diving and surfing.
Vorige zomer zijn we wezen duiken en surfen.
He went diving, but he found it dangerous.
Hij is wezen duiken, maar hij vond het gevaarlijk.
She went surfing when it was windy.
Ze is wezen surfen toen het waaide.
to run, to jog
hardlopen
to picnic
picknicken
We went jogging and after that we went picnicking.
We zijn wezen hardlopen en daarna zijn we wezen picknicken.
Did you go jogging in the forest this morning?
Ben je vanmorgen in het bos wezen hardlopen?
Yesterday we went picnicking with the family.
Gisteren zijn we met de familie wezen picknicken.
to play golf
golfen
My boss went golfing, but he was bored.
Mijn baas is wezen golfen, maar hij verveelde zich.
A month ago we went golfing here.
Een maand geleden zijn wij hier wezen golfen.