WordgolfenMeaningto play golfPart of speechverbPronunciationCourseDutchLessonPast activities (wezen + infinitive)Usages of golfenMijn baas is wezen golfen, maar hij verveelde zich.My boss went golfing, but he was bored.Een maand geleden zijn wij hier wezen golfen.A month ago we went golfing here.