| Question | Answer |
|---|---|
the captain | de kapitein |
the deck | het dek |
The captain is standing upstairs, and we walk on the deck. | De kapitein staat boven, en wij lopen op het dek. |
the crew | de bemanning |
The crew walks upstairs quickly. | De bemanning loopt snel naar boven. |
the horizon | de horizon |
Outside we stood looking at the horizon. | Buiten hebben we naar de horizon staan kijken. |
then / subsequently (next in a sequence) | vervolgens |
Then the passengers go outside. | Vervolgens gaan de passagiers naar buiten. |
It is warm inside in the cabin. | Het is warm binnen in de hut. |
It is raining, so we run inside. | Het regent, dus we rennen naar binnen. |
the anchor | het anker |
The big anchor lies all the way downstairs. | Het grote anker ligt helemaal beneden. |
to sail (travel on water) | varen |
the view | het uitzicht |
While we sail, we enjoy the view on the deck. | Terwijl we varen, genieten we van het uitzicht op het dek. |
the wave | de golf |
seasick | zeeziek |
The waves are high, nevertheless I am not seasick. | De golven zijn hoog, desondanks ben ik niet zeeziek. |
The captain talks to us and then calls the crew. | De kapitein praat met ons en roept vervolgens de bemanning. |
Outside, the view of the horizon is beautiful. | Buiten is het uitzicht op de horizon prachtig. |
As soon as the anchor drops, nobody is seasick anymore. | Zodra het anker valt, is niemand meer zeeziek. |
We sail to the south and go upstairs. | We varen naar het zuiden en gaan naar boven. |
The waves are high, we are going inside. | De golven zijn hoog, wij gaan naar binnen. |
down (downward, with verbs) | neer |
The boat goes up and down on the waves. | De boot gaat op en neer op de golven. |
He puts the suitcase down. | Hij zet de koffer neer. |
forward, ahead | vooruit |
The boat sails forward. | De boot vaart vooruit. |
Look ahead at the horizon. | Kijk vooruit naar de horizon. |
past, gone by | voorbij |
The storm is over. | De storm is voorbij. |
We sail past the island. | Wij varen voorbij het eiland. |
up / upwards | omhoog |
The captain climbs up to the deck. | De kapitein klimt omhoog naar het dek. |
The crew looks up at the horizon. | De bemanning kijkt omhoog naar de horizon. |
down / downwards | omlaag |
The anchor goes down. | Het anker gaat omlaag. |
Then we sail down along the wave. | Vervolgens varen wij omlaag langs de golf. |
Your questions are stored by us to improve Elon.io
