Usages of de stad
Wanneer ik verdwaald raak in de stad, gebruik ik mijn telefoon om de weg te vinden.
When I get lost in the city, I use my phone to find the way.
Ik fiets naar de stad.
I bike to the city.
Iemand vertelde mij dat we ergens in deze stad heerlijk kunnen lunchen.
Someone told me that somewhere in this city we can have a delicious lunch.
De stad is drukker dan het dorp.
The city is busier than the village.
Ik heb een voorkeur voor een huis buiten de stad, want daar is het mooier en rustiger.
I have a preference for a house outside the city, because it is more beautiful and calmer there.
Ik vergelijk de prijzen van diverse woningen, maar het verschil tussen stad en dorp is enorm.
I compare the prices of various homes, but the difference between the city and the village is huge.
Ik fiets gerust door de stad.
I bike through the city at ease.
Ik zie verkeer in de stad.
I see traffic in the city.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.