WordcompleetMeaningcomplete / completely (entire, total)Part of speechadjectivePronunciationCourseDutchLessonInvariant adverbs of degree (een heel groot huis)Usages of compleetHet voorval was schokkend bizar en compleet onverklaarbaar.The incident was shockingly bizarre and completely inexplicable.Die krantenkop over de burgemeester was een complete leugen.That headline about the mayor was a complete lie.