Usages of samen
Wij zijn samen.
We are together.
Zij zijn ook samen.
They are also together.
Jullie zijn samen blij.
You are happy together.
We eten samen.
We eat together.
We koken vandaag samen.
We cook together today.
Wij fietsen vaak samen.
We often cycle together.
Wij kijken samen naar de film.
We are watching the film together.
Wij maken samen muziek.
We make music together.
Wij komen samen naar het feest.
We are coming to the party together.
Straks gaan we samen eten.
Later we are going to eat together.
We controleren de informatie samen met u.
We are checking the information together with you.
Laten we samen eten.
Let's eat together.
We drinken samen thee en dat is heel gezellig.
We drink tea together and that is very cozy.
Wij ontbijten 's morgens altijd samen.
We always eat breakfast together in the morning.
Wij gaan regelmatig samen uit.
We regularly go out together.
Samen zijn de dieren sterk.
Together the animals are strong.
Wij knutselen samen met papier en lijm.
We craft together with paper and glue.
Laten we samen de spandoeken vasthouden.
Let's hold the banners together.
Na de les eten wij samen.
After the class we eat together.
Wij koken het avondeten samen.
We cook the evening meal together.
Je moet de sokken samen met het T-shirt wassen.
You must wash the socks together with the T-shirt.
Wij gebruiken een schone kwast om samen te behangen.
We use a clean brush to wallpaper together.
De vrijwilligers werken samen met de arts.
The volunteers work together with the doctor.
Wij willen samen fietsen in de streek.
We want to cycle together in the region.
Ik dacht dat wij samen zouden eten.
I thought that we would eat together.
We wandelen samen zonder op onze smartphone te kijken.
We walk together without looking at our smartphone.
Wij doen het huishouden samen.
We do the housework together.
Ze zitten samen te studeren voor het tentamen.
They are studying together for the exam.
Alle kleine donaties maken samen een groot bedrag.
All small donations together make a large amount.
Neuriënd schrobden wij samen de vieze vloer.
Humming, we scrubbed the dirty floor together.
Soms denk ik terug aan de dierbare levensfase dat wij samen studeerden.
Sometimes I think back to the precious phase of life that we studied together.
De timmerlieden bouwen samen een houten huis.
The carpenters build a wooden house together.
Ons innige verlangen is om altijd samen te zijn.
Our intimate longing is to always be together.
Zullen we vanavond samen een pond pasta koken?
Shall we cook a pound of pasta together tonight?
Ik hoop we brengen het weekend samen door.
I hope we are spending the weekend together.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.