Prepositions with seasons (in)

QuestionAnswer
the snow
de sneeuw
In winter we see a lot of snow.
In de winter zien we veel sneeuw.
The boys play outside in the snow.
De jongens spelen buiten in de sneeuw.
to snow
sneeuwen
In winter it often snows in the mountains.
In de winter sneeuwt het vaak in de bergen.
It is not snowing now, but it is very cold.
Het sneeuwt nu niet, maar het is heel koud.
to ice skate
schaatsen
In winter we want to ice skate.
In de winter willen we schaatsen.
Do you like to ice skate in the winter?
Schaats jij graag in de winter?
to bloom
bloeien
In spring the flowers bloom.
In de lente bloeien de bloemen.
The beautiful plants bloom in our garden.
De mooie planten bloeien in onze tuin.
the leaf
het blad
In autumn the leaves fall from the trees.
In de herfst vallen de bladeren van de bomen.
the forest
het bos
I see a red leaf in the forest.
Ik zie een rood blad in het bos.
In autumn we often walk in the forest.
In de herfst wandelen we vaak in het bos.
to camp
kamperen
In summer they camp by the beach.
In de zomer kamperen ze bij het strand.
the tent
de tent
We sleep in a small tent in the summer.
We slapen in de zomer in een kleine tent.
In summer we camp in a large tent.
In de zomer kamperen we in een grote tent.
the sunglasses
de zonnebril
In summer you must wear sunglasses.
In de zomer moet je een zonnebril dragen.
Why can't I find my new sunglasses?
Waarom kan ik mijn nieuwe zonnebril niet vinden?
cozy
gezellig
The evening is very cozy in the winter.
De avond is in de winter erg gezellig.
We drink tea together and that is very cozy.
We drinken samen thee en dat is heel gezellig.
the season
het seizoen
In this season it often snows.
In dit seizoen sneeuwt het vaak.
Autumn is a beautiful season.
De herfst is een mooi seizoen.
In which season do you skate?
In welk seizoen schaats jij?