Prepositions with days (op)

QuestionAnswer
free / off (work)
vrij
I am always free on Friday.
Ik ben op vrijdag altijd vrij.
On Saturday we are also free.
Op zaterdag zijn wij ook vrij.
to exercise / to play sports
sporten
normally / normal
normaal
We normally exercise on Thursday.
Wij sporten normaal op donderdag.
On Monday they exercise in the park.
Op maandag sporten ze in het park.
the training / the practice
de training
The training begins on Wednesday at eight o'clock.
De training begint op woensdag om acht uur.
On Friday we have a long training.
Op vrijdag hebben we een lange training.
to train
trainen
We train on Monday and on Thursday.
Wij trainen op maandag en op donderdag.
Do you train on Sunday?
Trainen jullie op zondag?
the hall / the gym
de zaal
On Saturday we rent the hall.
Op zaterdag huren wij de zaal.
On Sunday we clean up the hall.
Op zondag ruimen wij de zaal op.
tennis
het tennis
I often play tennis on Tuesday.
Ik speel vaak tennis op dinsdag.
Do you play tennis on Wednesday?
Speel jij op woensdag tennis?
to organize
organiseren
On Tuesday we organize a match.
Op dinsdag organiseren wij een wedstrijd.
What do you usually do on Friday?
Wat doen jullie meestal op vrijdag?
the hobby
de hobby
On Thursday I have time for my hobby.
Op donderdag heb ik tijd voor mijn hobby.
the schedule / the diary
de agenda
Your schedule is full on Thursday.
Jouw agenda is op donderdag vol.
I write the appointment in my diary.
Ik schrijf de afspraak in mijn agenda.
We organize a party on Friday.
Wij organiseren op vrijdag een feest.
My hobby is normally on Saturday.
Mijn hobby is normaal op zaterdag.
the sport
de sport
Tennis is a nice sport.
Tennis is een leuke sport.
Which sport do you do?
Welke sport doe jij?