Usages of de hond
De hond is groot.
The dog is big.
Jij hebt een hond.
You have a dog.
Zij heeft de deur voor de hond open gelaten.
She has left the door open for the dog.
De hond ligt in het huis.
The dog is lying in the house.
Wij zien de hond in het park.
We see the dog in the park.
De hond wordt moe.
The dog is becoming tired.
De hond loopt door het huis.
The dog walks through the house.
De hond loopt uit het huis.
The dog walks out of the house.
Zowel de kat als de hond spelen in de tuin.
Both the cat and the dog play in the garden.
Ik laat de hond in de tuin spelen.
I let the dog play in the garden.
De hond is moe, waardoor hij in het huis ligt.
The dog is tired, which is why he is lying in the house.
Elon.io is an online learning platform
We have an entire course teaching Dutch grammar and vocabulary.