Wordhet baasjeMeaningthe owner (of a pet)Part of speechnounPronunciationCourseDutchLessonColloquial possessives (z'n, d'r, hun)Usages of het baasjeDe baasjes hebben een stuk of tien zakken vertrouwd voer meegenomen.The owners brought about ten bags of familiar food.De verzorgers kennen de honden hun baasjes goed.The caretakers know the dogs' owners well.