Wordde puzzelMeaningthe puzzlePart of speechnounPronunciationCourseDutchLessonGroups (met z'n allen, met z'n tweeën)Usages of de puzzelDaarom hebben we de puzzel met z'n tweeën gekraakt.That is why the two of us cracked the puzzle.Jullie moeten opschieten, want we willen de puzzel met z'n allen kraken.