WordsprekenMeaningto speak (a language) / to speak (give a statement / speak for someone)Part of speechverbPronunciationCourseDutchLessonAsking which (welke, welk)Usages of sprekenWelke taal spreekt u?Which language do you speak?Ik spreek Nederlands en Engels.I speak Dutch and English.Spreek jij Engels?Do you speak English?Ik spreek namens de directie.I am speaking on behalf of the management.