The verb 'to have' (hebben)

The Verb 'Hebben' (Singular)

The verb hebben (to have) is essential in Dutch. Here are its singular forms:

  • ik heb (I have)
  • jij hebt (you have)
  • hij / zij / het heeft (he / she / it has)
  • u heeft (you have - formal)
I have a dog and you have a cat.
Ik heb een hond en jij hebt een kat.
The woman has a brother and a sister.
De vrouw heeft een broer en een zus.

Plural Forms of 'Hebben'

For all plural subjects (wij, jullie, and zij), simply use the infinitive form: hebben.

We are ready and we have time now.
We zijn klaar en we hebben nu tijd.
You have a lot of work there.
Jullie hebben daar veel werk.
They have the house and the car.
Ze hebben het huis en de auto.

Using 'Geen' (No / Not Any)

To say you don't have something, place geen (no / not any) right before the noun.

I have no time and no money.
Ik heb geen tijd en geen geld.
You have no dog, sir.
U heeft geen hond, meneer.

More Examples

The student has a problem and a question.
De student heeft een probleem en een vraag.
The teacher is here, but she has no time.
De docent is hier, maar ze heeft geen tijd.
We have a brother and they have a sister.
Wij hebben een broer en zij hebben een zus.

```